Geschreven door Remco van Gastel op 30 juni 2025

Gouda, stad van kaas en stroopwafels. Tenminste, dat is wat de meeste mensen tegenwoordig denken. Maar hoe anders was dit in de late middeleeuwen. In Gouda draaide toen alles om bier. De stad kende niet minder dan 200 brouwers, die gezamenlijk 50 miljoen liter bier per jaar produceerden. Het maakte Gouda tot de allergrootste bierproducent van Europa, wel zeven decennia lang. Van 1450 tot 1520 was Gouda de stad van bier.

Kuit
Het bier waar de Gouwenaars zoveel succes mee boekten, was het kuit. Deze biersoort was het Hollandse antwoord op het Hamburgs wit, een biersoort die brouwers uit Hamburg sinds 1374 met veel succes op de markt brachten. In 1392 kregen de brouwers in Gouda toestemming om bier te brouwen ‘op den aert van Hoemborch’, oftewel naar Hamburgs voorbeeld. Het is onduidelijk in hoeverre de Goudse brouwers direct gebruik maakten van dit nieuwe recht. De oudste vermelding van het Goudse kuit zien we pas in 1432, als het wordt genoemd in een document met kleinhandelsprijzen in het Brabantse Lier.
Het Goudse kuit werd gebrouwen met haver, tarwe en gerst en was aanvankelijk in prijs vergelijkbaar met het Delftse kuit en het fameuze Haarlemse hoppenbier. Toch vond er op enig moment een cruciale aanpassing plaats in de receptuur van het Goudse kuit, waarschijnlijk aan het eind van de jaren dertig van de vijftiende eeuw. Latere stadskeuren van het kuit tonen een graanstorting die lager was dan die van het hoppenbier. Doordat het kuit ook minder lang werd verhit, kon het kuit tegen lagere kosten worden geproduceerd dan het hoppenbier. Gerst en tarwe moesten weliswaar worden geïmporteerd, maar er groeide voldoende haver in de omgeving van Gouda om aan de vraag van de bierbrouwers te voldoen. Bovendien leverde het veenlandschap rond Gouda voldoende turf om de brouwketels te verwarmen.

Bloei
Om uit te groeien tot bierexporteur was een concurrerend product alleen niet voldoende. Gouda was zeer gunstig gelegen. Net als de andere Hollandse biersteden Haarlem, Leiden en Delft was Gouda, via de Hollandse IJssel en de Gouwe, aangesloten op de belangrijkste handelsroutes van die tijd. Het Goudse bier werd geëxporteerd naar alle windstreken: van Enkhuizen in de kop van Noord-Holland tot aan Duinkerken in het huidige Frankrijk. Met name in de welvarende Vlaamse steden was het Goudse kuit populair. Met een gemiddelde dagelijkse consumptie van een tot twee liter per dag per persoon was de vraag van de inwoners van de Lage Landen naar bier ook hoog.

Rond 1480 was de Goudse brouwindustrie op haar hoogtepunt. Met 13 duizend inwoners was Gouda een van de grootste steden van Holland. Er stonden 2.800 huizen waarvan er 200 als brouwerij dienden. Die leverden behalve aan brouwers en hun knechten ook werkgelegenheid aan vele anderen zoals kuipers, vervoerders, tappers en molenaars.
Elke stad en regio had eigen tarieven en accijnzen voor de invoer van goederen. Het stadsbestuur van Gouda spande zich in om bij deze lokale overheden gunstige tarieven voor het Goudse bier te krijgen. Uiteraard hief het stadsbestuur zelf ook accijnzen op de productie en consumptie van het bier. Gouda werd hierdoor rijker dan ooit tevoren en dat was te zien op de Markt. Hier verrees het prachtige stadhuis waarmee Gouwenaars vandaag de dag nog worden herinnerd aan hun rijke bierverleden.

Neergang
Oorlog is slecht voor de export. De opleving van Hoekse en Kabeljauwse Twisten leidde in 1485 tot een teruggang in de Goudse bierproductie naar 6.500 brouwsels waar dat er in 1477 nog 15 duizend waren. Na enig herstel in de loop van de 16e eeuw volgde een nieuwe tegenslag; de graanprijzen begonnen te stijgen. In een poging om de kosten van het bier niet te veel te laten oplopen stond het stadsbestuur de brouwers onder andere toe om minder graan te gebruiken per brouwsel. Desondanks kwamen de winstmarges van de brouwers onder druk te staan. Ondertussen hadden brouwers van Delft de vlucht naar voren genomen. Zij innoveerden met nieuwe biersoorten en bespaarden op grondstoffen en brandstof door grotere brouwsels te maken. Het Goudse brouwerskeur verbood dit waardoor de concurrentie toenam. In Antwerpen en Gent, belangrijke afzetpunten van het Goudse bier, ontwikkelde zich een eigen bierindustrie die de vraag sterk verminderde. Uiteindelijk zorgde de Opstand van Willem van Oranje tegen de Spaanse koning voor een definitief einde van Gouda als bierstad doordat de export ernstig werd bemoeilijkt. De bierproductie daalde van 4.500 brouwsels in 1550 naar 3.000 in 1560 en 2.300 in 1566. De stad moest op zoek naar nieuwe inkomstenbronnen. Aanvankelijk vond ze die in de verkoop van turf gevolgd door lakenfabricage, de productie van kleipijpen en later van kaas, kaarsen en stroopwafels. Overigens betekende dit niet het definitieve einde van bierbrouwen in Gouda. Halverwege de 18e eeuw waren er nog vier brouwerijen in de stad actief en brouwerij De Hand sloot als laatste haar deuren in het begin van de 20e eeuw.

Dit artikel is gebaseerd op het boek Stad van Bier. Hoe Gouda de grootste bierproducent van Europa werd.

Podcasts

Blogs

Adverteerders

×