Geschreven door Rudi Bakker op 21 december 2022
Sinds de opkomst van professionele brouwerijen in de 13e eeuw werd bier verpakt in houten vaten. De vaten vonden hun weg naar lokale afnemers of werden naar elders verscheept. Voor thuisgebruik waren er kleinere vaatjes, kinnetjes, beschikbaar of men haalde een kan bier bij de tapper. Meestal was dat iemand die een vat bier kocht van de brouwerij om die vanuit zijn of haar huis per kan aan buurtgenoten door te verkopen.
Halverwege de 19e eeuw ontstond een nieuwe beroepsgroep, de bierbottelaar, die de levering van bier aan de thuisgebruiker ging verzorgen. Het bier werd vanuit het vat in stenen kruiken en/of glazen flessen overgeheveld en verkocht vanuit de eigen winkel of thuis bezorgd. Bier in glazen flessen was een relatief nieuw fenomeen want pas vanaf 1830 werd het mogelijk om flessen op industriële wijze, dat wil zeggen op grote schaal tegen lage kosten, te produceren. Aanvankelijk werd gebruik gemaakt van flessen met een kurk. De beugelfles en de kroonkurk werden pas in 1875 en 1889 gepatenteerd.
In een van de oudste advertenties van een Amsterdams depot der bierbottelarij te Haarlem uit 1849 is te lezen dat deze een zeer uitgebreid assortiment voerde van fijne oude en ordinaire belegen bieren. Consumenten konden kiezen uit hele of halve bottels waar 7 cent statiegeld op werd berekend.

Algemeen Handelsblad, 6 juni 1848
De bierbottelarij had vele verschijningsvormen. In Delft dreef Hermanus Engelinus Steenhoven een Binnen- en Buitenlandsche Bierhandel, Bierstekerij, Bierbottelarij en Bierhuis. Naast 24 biersoorten verkocht hij ook wijnen en likeuren. De combinatie van bottelarij met slijterij of tapperij kwam vrij vaak voor. Er waren echter ook bierbottelaars met een sigarenwinkel, klompenhandel of slagerij. J. van Teijlingen combineerde in Rotterdam zijn bierbottelarij met een vishandel waarin naast paling en bokking ook bier van d'Oranjeboom en Heineken verkrijgbaar was.
Bierbottelarijen waren voor brouwerijen een goede manier om hun afzetgebied te vergroten. Zij transporteerden hun vaten bier naar diverse depots in het land van waaruit het door een of meerdere bottelaars zijn weg vond naar de consument. Het nadeel van deze werkwijze voor de brouwerij was dat zij het zicht op haar product verloor. De brouwer moest er maar op vertrouwen dat zijn bier op een hygiënische wijze in de fles terecht kwam en, voorzien van zijn eigen etiket, onder gunstige omstandigheden werd opgeslagen. Dat dit niet vanzelfsprekend was blijkt uit verschillende incidenten waarbij vuile vulslangen of afsluitringen werden gebruikt of dat de gevulde flessen in het volle zonlicht werden bewaard. Bier is erg gevoelig voor vuil, zuurstof en zonlicht. Het zorgt ervoor dat het bier snel in smaak achteruit gaat. In enkele gevallen voelden brouwers zich genoodzaakt om in advertenties te waarschuwen voor fraude wanneer er vreemd bier onder hun naam werd verkocht.

Provinciale Noord-Brabantsche en 's-Hertogenbossche Courant, 10 mei 1889
Vanaf 1880 verschenen de eerste Machinale Bierbottelarijen. Volgens het zogenaamde isobarometrisch systeem kon de fles gevuld worden zonder dat het bier met zuurstof in aanraking kwam. De werking dezer machinen is uiterst zindelijk; de flesschen worden door dezelven met de meest mogelijke zorg gezuiverd daarna gelijkmatig volgetapt en hermetisch gesloten; terwijl de zich in de flesch nog bevindende luchtdeelen, onder het kurken geheel daaruit verdreven worden, hetgeen een grooten invloed uitoefent op den smaak en het werken der bieren. Aldus H.D. Dielissen uit Tilburg.
Flessen waren het belangrijkste bedrijfsmiddel van bierbottelaars. Zij moesten er steeds voor zorgen dat er voldoende lege flessen van de klant terugkwamen om opnieuw gevuld te worden. Het fenomeen wegwerpfles deed pas in de jaren 1960 zijn intrede. Een goede manier om de lege flessen weer terug te krijgen is het heffen van statiegeld. Het is niet bekend wanneer het heffen van statiegeld is uitgevonden, maar de gezamenlijke bierbrouwers van Geertruidenberg maakten in 1795 al bekend dat zij voor iedere ton 2 gulden, voor ieder vat 1 gulden en 15 Stuivers voor ieder heel en half Kinnetje statiegeld rekenden dat tegen elk weder inkomend ledig stuk vaatwerk zal worden verwisseld. Desondanks zagen steeds meer bierbottelaars aan het begin van de 20e eeuw, wegens concurrentie, af van het heffen van statiegeld. De president van den Nederlandse Bond van Mineraalwaterfabrikanten en bierhandelaren, de heer C. Visser, gaf in 1902 een heldere analyse van de markt:
De algemeene toestand van mineraalwater-fabrikanten en bierbottelaars in ons land is niet gunstig. Zij moeten hard werken en hun verdiensten zijn klein; wanneer een bierbottelaar op 't eind van de maand ziet hoeveel bier hij wel heeft verkocht, dan moet hij zich wel afvragen: „heb ik daar niet meer op verdiend?" 't Feit is dat de man werkt voor brouwerij, glasfabrikant, opkooper van flesschen en ten laatste eerst voor zich zelf. Brouwerijen en glasfabrikanten hebben recht op een winst, maar de flesschenopkooper, dat is in deze de groote vijand. In Haarlem, waar spr. tot voor korten tijd een bottelarij heeft gehad, raakten geregeld 12 procent van de flesschen weg en dit is voldoende om de winst van den bottelaar nagenoeg te niet te doen. Deze toestand is volgens spr. voor 'n groot deel de schuld van de bottelaars zelf; vroeger werd statiegeld voor de flesschen van de klanten geëischt, doch door de reusachtige uitbreiding van het biervak is concurrentie opgetreden, en toen eerst een enkele bottelaar het statiegeld liet vervallen, moesten de anderen volgen, uit vrees anders hun klanten te verliezen. Nu ziet men bij de afnemers de grootste zorgeloosheid, of er flesschen breken kan hen niets schelen, en wat erger is, ze worden verkocht aan opkoopers.
Binnen de bond spraken de leden af om geen flessen van opkopers te kopen en om elkaars flessen niet te gebruiken. Om dit te kunnen doen gingen bottelaars gemerkte flessen gebruiken. Zo is een fles bekend met in reliëfdruk “Gestolen in ander gebruik dan A.J.J. Weyers Tilburg”. Er waren echter andere bedreigingen voor de bierbottelaar aanstaande.
Sommige bierbrouwerijen bottelden zelf een deel hun bier. De Gekroonde P bottelde al in 1887 in de brouwerij en Grolsch had sinds 1897 een eigen beugelfles. De grote brouwerijen bottelden meestal alleen de flessen die bestemd waren voor de export. Vanaf de jaren 1930 ontstonden steeds meer inkooporganisaties zoals DE SPAR, Enkabé, Sperwer en EDAH. Deze organisaties hadden een distributienetwerk voor levensmiddelen waaronder ook bier voor thuisverbruik. De distributie die eerst door bierbottelaars werd verzorgt, kreeg hiermee een flinke concurrent. Voor brouwerijen werd het interessant om hun bier zelf te bottelen. Men kon immers grotere hoeveelheden aan de inkooporganisaties leveren die het vervolgens in hun netwerk van winkels verkochten. In advertenties en op de etiketten verscheen de tekst "Gebotteld in de brouwerij" als waarborg voor de kwaliteit. Aanhoudende klachten over de hygiëne van sommige bierbottelaars hebben daar ook zeker bij geholpen. Tenslotte kregen bierbottelaars die tevens een limonadefabriek hadden, te maken met een toenemend aantal brouwerijen dat ook limonade ging produceren en bottelen.
Het beroep van bierbottelaar was na de Tweede Wereldoorlog zeldzaam, maar niet verdwenen. Het jaarcongres van de Nederlandse Bond van Bierbottelaars en Mineraalwaterfabrikanten had in 1948 nog ongeveer vierhonderd deelnemers uit alle delen van het land. Voor zover bekend was dit tevens het laatste jaarcongres van de bond. Het beroep van de zelfstandige bierbottelaar verdween na ruim een eeuw langzaam weer uit de Nederlandse biercultuur.


