Geschreven door Marco Daane op 4 september 2024

Van oorlogen heeft bier altijd te lijden, en de drinker lijdt mee. Vaak ontstaan er in oorlogstijd hindernissen voor het brouwen. In Leiden resteerden onder het Spaanse beleg in 1574 alleen tweederangs ingrediënten waarmee men een soort pseudobier maakte. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, waar Nederland zelf niet bij betrokken was, stagneerde hier de aanvoer van grond- en hulpstoffen. Het bier werd vanaf 1917 dan maar met minder grondstoffen gebrouwen – slapper ‘oorlogsbier’.
Onze meest ingrijpende oorlogservaring is die van 1940 tot 1945 geweest. De Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting zijn synoniem met vernietiging, dictatuur, vervolging, verzet, schaarste en Hongerwinter. Het bier maakte daar deel van uit. Vaak was het er slechts een detail van, maar de eigen historie weerspiegelt ook het grotere oorlogsverhaal. En dat verhaal moeten we blijven vertellen.

Na de Duitse inval in Polen op 1 september 1939 hielden sommigen in Nederland rekening met een nieuwe oorlog. In het algemeen werd die echter niet verwacht. Net als in 1914-1918 leek Nederland buiten de vijandelijkheden te blijven. Dat de situatie door de aanwezigheid van een agressor als Hitler anders was dan toen bleef buiten beschouwing. De Duitse invallen in Denemarken en Noorwegen in april 1940 veranderden dat niet.
De aanval op Nederland in de ochtend van vrijdag 10 mei kwam onaangekondigd, maar dus ook onverwacht. Het lange Pinksterweekend stond voor de deur en winkels en cafés hadden die dag nietsvermoedend advertentieruimte geboekt om hun producten aan te prijzen. Café De Kleine Beurs in Franeker lokte bezoekers met het vooruitzicht van ‘uitsluitend fleschjes Heinekens bier’. De Franeker Courant was echter een avondblad – en diezelfde editie meldde op de voorpagina ook de Duitse inval.

Bommen op brouwerijen
In de zeer vroege ochtend hadden Duitse legereenheden de grens met ons land overschreden. Het was de opmaat tot een grootschalige invasie waar het kleinere Nederlandse leger de nodige tegenstand aan bood. In Limburg stuitten de Duitsers op Nederlandse afweer toen ze poogden de Maas over te steken. Ook aan bierbrouwerijen ging die strijd niet voorbij. Bij Arcen namen de Duitsers de veerpont naar Broekhuizen, waar brouwerij De Vriendenkring (nu Hertog Jan) dicht bij lag. Deze kwam onder artillerievuur te liggen en leed veel schade. De kogelgaten zijn naar verluidt nog steeds te zien.

Ook de volgende dagen deden zulke gebeurtenissen zich voor. Bij Breda vond op 12 mei zware strijd plaats en kreeg brouwerij De Drie Hoefijzers het nodige artillerievuur te verduren. Om Maastricht werd lang en hevig gevochten. Burgers konden daar dan weer een goed heenkomen zoeken in een brouwerijkelder, bij Eugène Marres aan het Onze Lieve Vrouweplein.
Dieper landinwaarts ging de inval gedurende enkele dagen gepaard met luchtbombardementen. Daarmee trachtten de Duitse troepen Nederland te overrompelen. Op 14 mei werd de Rotterdamse binnenstad platgegooid met een kort maar uitzonderlijk zwaar bombardement, bedoeld om het zich onverwacht fel verdedigende Nederland op de knieën te dwingen. Hierbij liep de lokale vestiging van Heineken veel schade op. Volgens het boek over brouwerij De Gekroonde Valk werd de Oranjeboom-brouwerij op de andere Maasoever zelfs ‘vrijwel geheel vernield’, maar dat is niet het geval geweest. De Nassaukade lag buiten de gebombardeerde zone en er waren naderhand alleen kogelinslagen te zien.
Tegen de achtergrond van dit geweld werd Nederland letterlijk drooggelegd. Nadat de Rotterdamse en Haagse burgemeesters eerder al een plaatselijk verkoopverbod van alcoholhoudende dranken hadden afgekondigd, vaardigde de opperbevelhebber, generaal Winkelman, op diezelfde 14e mei een landelijk tapverbod uit. Een militair op de bestuurdersstoel? Wis en waarachtig, want koningin en kabinet hadden het land een dag eerder verlaten en hun bevoegdheden waren aan Winkelman overgedragen. Waarom hij een tapverbod invoerde is niet bekend, maar het ligt voor de hand dat hij beoogde mensen van de straat te houden en zo op veilig te spelen. Vanaf het bombardement op Rotterdam was alles bij hem gericht op het voorkomen van nog erger.
Om dezelfde reden liet Winkelman nog die dag aan de Duitsers weten dat Nederland capituleerde, hetgeen een dag later formeel werd vastgelegd. De Duitsers namen het landsbestuur direct over. Op die 15e mei bevatte de Dordrechtse Courant tal van besluiten en regels namens het nieuwe bestuur dat de hoop uitsprak op een spoedige normalisatie van het dagelijks leven. Daartoe kwam het met een soort handreiking: de cafés konden worden heropend. Het bleef nog verboden sterke drank te verkopen, en bier mocht alleen in beperkte mate: ‘hoogstens twee halve fleschjes per persoon’.
Weer een dag later stonden in alle dagbladen instructies van opperbevelhebber Winkelman voor de omgang met de bezetting. Van het eerder afgekondigde tapverbod moest men afwijken ‘voor het tappen van bier ten behoeve van officieren en soldaten der Duitsche weermacht’. Naar verluidt deden winkels en cafés daar al snel goede zaken mee. En op 17 mei berichtten de kranten dat de Duitse militair bevelhebber de horeca toestond weer gewoon open te gaan en het gehele alcoholverbod had opgeheven.
Amper een week na de gewelddadige Duitse inval leek de toestand zich vervolgens te normaliseren. ‘Amsterdam leeft weer op,’ signaleerde De Gooi- en Eemlander van 21 mei zelfs: ‘De menschen loopen weer gemoedelijk te praten en zij maken hun avondwandelingetje alsof er nooit iets aan de hand is geweest. De terrassen vóór de café's zijn druk bezocht en vooral wanneer de zon haar verwarmende stralen uitgiet over de stad, zitten daar weer velen hun kopje koffie of glaasje bier te drinken.’ Waar hadden we het eigenlijk over? Wie nog twijfelde moest eens gaan kijken in Heerenveen, waar een redacteur van het Agrarisch Nieuwsblad een paar dagen later een hotel bezocht. ‘Rond ons in de tapkamer zitten vele Duitschers en gezamenlijk drinken de Heerenveeners met de Duitschers hun potje bier. In gebroken Duitsch en Nederlandsch klinkt de scherts over en weer. Men spaart elkaar niet, doch alles wordt gemoedelijk opgenomen; men weet en voelt aan wat men aan elkaar heeft en hoever men gaan kan.’
Dit tafereel stond niet op zichzelf, blijkt uit oorlogsfoto’s. Veel Duitse soldaten droegen een goedkope boxcamera bij zich, want fotograferen was populair in hun land. Ze mochten hun ervaringen tijdens de bezettingsoperaties ook naar believen vastleggen. Veel van die foto’s bleven bewaard. Historicus Gerard Groeneveld verzamelde zulke Duitse soldatenkiekjes van de strijd in de Meidagen. Zijn boek Nach Holland bevat ook diverse opnames van Duitse en Nederlandse soldaten, herkenbaar aan hun hoofddeksels, in de omgang met elkaar. En een ervan toont enkelen die samen ontspannen lachend ‘een boompje planten’. Bier verbroedert, nietwaar... Dus ja, waar hadden we het eigenlijk over?

Bureaucratie voor bier
De algemene biertoestand werd aanvankelijk ook niet zo dramatisch als tijdens de oorlog van 1914-1918. Dat kwam mede door de toestand van toen. Op 3 september 1939, twee dagen na de Duitse inval in Polen, hadden Engeland en Frankrijk Duitsland de oorlog verklaard. De dreiging van een nieuwe wereldoorlog hing meteen in de lucht. En tijdens de vorige hadden schaarste en distributieproblemen grote impact gehad. Met dat gegeven in het achterhoofd besloten de Nederlandse brouwerijen toen een gezamenlijke belangenorganisatie te vormen die aan nieuwe problemen tijdens een mogelijke oorlog het hoofd zou kunnen bieden. Op 18 september 1939 werd dat Centraal Brouwerij Kantoor (CBK) opgericht door bijna alle 99 brouwerijen die Nederland telde. Ze spraken af dat eventuele oorlogshandelingen geen effect op de marktverdeling van voor de oorlog zouden mogen hebben. Mocht er schaarste aan grondstoffen ontstaan, dan zouden die gelijkelijk worden verdeeld over alle brouwerijen.
Dirk Stikker, directeur bij Heineken, stond aan de basis van dit CBK. Heineken werd ook als voorzitter aangewezen en Stikker heeft dat ambt tot 1946 bekleed.

In mei 1940 bleek het brouwerijwezen met dit initiatief dus een vooruitziende blik te hebben gehad. Of er ook met een vreemde bezettingsmacht rekening werd gehouden is niet bekend. Juist die zou voor de nodige problemen zorgen. De Duitsers namen Nederland onder Reichskommissar Seyss-Inquart en SS-Obergruppenführer Rauter in een ijzeren greep en dat gold ook voor de economie en het bedrijfsleven, al lieten sommige van de maatregelen die zij namen op zich wachten. Zo richtten de Duitsers per 11 oktober 1941 de Ondervakgroep Brouwerijen op, bedoeld als publiekrechtelijke brancheorganisatie. Een eigen Nederlandse belangenorganisatie was feitelijk niet welkom en toegestaan. Dat het CBK toch bleef bestaan kan alleen toe te schrijven zijn aan de even vasthoudende als tactvolle en glibberige aanpak van de organisatie, vooral van Stikker. Het CBK durfde zich tegenover de bezetter op te stellen, en tegelijk de eigen ‘onmisbaarheid’ uit te spelen. Daarbij had het immers wisselgeld dat in de ogen van Duitsers uiterst waardevol was: bier.
Hoe goed het de eigen positie uitbaatte bleek toen Stikker ook voorzitter van de Ondervakgroep Brouwerijen werd. De twee organisaties leken wel ineengeschoven te worden, maar in de praktijk deed het CBK het meeste werk en bestond de Ondervakgroep vooral in naam.
Onder de steeds lastiger omstandigheden van de bezettingsjaren heeft het CBK vooral het werk van de brouwerijen gefaciliteerd en verlicht. Zo heeft het vorderingen van personeel weten te voorkomen. De Duitsers wilden de vaak vaardige medewerkers van brouwerijen in eigen land te werk stellen, maar het CBK wist de bezetter daarvan jarenlang te weerhouden. Alleen door de aanwezigheid van deze personeelsleden konden brouwerijen immers hun noodzakelijke werk doen. Hetzelfde gold voor de vordering van het kostbare koper, dat de bezetter begeerde om te kunnen omsmeden. Zonder koper geen brouwerij, luidde het verzet daartegen. Het was niet aan dovemansoren gezegd.
Een andere maatregel die het CBK heeft kunnen tegenhouden was gedwongen rayonering – levering door brouwerijen in een vast beperkt gebied. In Duitsland bestond rayonering, vandaar de vrees ervoor, zeker bij de grote brouwbedrijven die toen allang in het hele land verkochten. De maatregel kwam er niet. Evengoed zou landelijke levering tijdens de Bezetting steeds lastiger worden.
Het CBK heeft met zijn effectieve optreden tijdens de Tweede Wereldoorlog de basis gelegd voor de solide brancheorganisatie die het zou worden, als voorloper van het huidige Nederlandse Brouwers. Zo bereikte de organisatie ook ‘dat niet één brouwerij, die bij het uitbreken van de oorlog bestond, tijdens de oorlog verdween,’ aldus Stikker. Een tragische uitzondering op deze vaststelling was er niettemin: de brouwerij van het franciscaner Sint-Bonaventuraklooster in Maastricht. Het klooster werd in 1941 door de bezetter gevorderd, en ook de brouwerij moest er toen mee ophouden. Die brouwde alleen bier voor consumptie door de monniken, maar was wel bij het CBK aangesloten. De SS gebruikte het klooster daarna als gevangenis voor verzetsstrijders die na een terdoodveroordeling naar concentratiekamp Sachsenhausen werden overgebracht. In 1943 werden er door de Organisation Todt ook 1400 arbeiders ondergebracht die aan een spoorweg naar een geheime ondergrondse lanceerbasis voor V1-raketten werkten. Pas na de Bevrijding konden het klooster en de brouwerij (tot 1961) de draad weer oppakken.
Het CBK vaardigde ook zelf besluiten, reglementen en maatregelen uit die golden voor alle leden. Ze mochten bijvoorbeeld geen cafés van andere brouwerijen overnemen, hetgeen vooral ter bescherming van kleinere bedrijven was. Kortom: de brouwerijen hadden tijdens de Bezetting een eigen belangenbehartiger, maar die liet hen allerminst vrij in het uitoefenen van hun bedrijf.

Gerst op de bon
Het kapen van afzetpunten of andere drieste vormen van concurrentie zouden op den duur feitelijk zinloos zijn geweest. Vrij snel diende zich tijdens de Tweede Wereldoorlog namelijk een oude bekende uit de vorige oorlog aan die de hele brouwpraktijk veranderde: een tekort aan grondstoffen.
Aanvankelijk waren essentiële goederen in Nederland relatief probleemloos voorhanden, maar na enkele maanden liepen de leveringen door de oorlogstoestand sterk terug. Allerlei zaken begonnen schaarser te worden. Rantsoeneringen en de beruchte verkoop ‘op de bon’ werden algemeen. Ook aan de grondstoffen voor bierproductie, vooral gerst, ontstonden tekorten. Dat betekende serieus werk aan de winkel voor het CBK. De centrale inkoop en distributie van grondstoffen was een van zijn voornaamste taken. Het verdeelde bijvoorbeeld de gerst over de verschillende brouwerijen. De intredende schaarste dwong het CBK daarom deze levering aan de ketting te leggen. Brouwgerst werd in het vervolg gerantsoeneerd. Per 30 september 1941 kwam er een regeling die het gebruik van de grondstoffen rationeel en gelijkelijk inrichtte.
Het CBK zelf dacht al te grote problemen te voorkomen door deze verdeling van de gerst. Een eigen ‘arbitragerechtbank’ moest erop toezien dat de leden zich hielden aan de distributiemaatregelen. Dat deden ze ook wel, maar brouwerijen die voorheen ook voor de export hadden gebrouwen wilden meer gerst. Door de oorlog was die export weggevallen. Ze zochten derhalve iets anders om dat gat op te vullen – meer van de binnenlandse markt dus. Hoewel de andere, vaak kleinere brouwerijen hiertegen protesteerden, stemde het CBK toe. Ongetwijfeld was dat om deze grotere en dus relatief belangrijke leden binnenboord te houden en niet voor het hoofd te stoten. Voor de anderen restte er geen alternatief: zonder het CBK kregen ze geen gerst.

Innovatie in de beslagkuip
Om de stagnatie van de graantoevoer op te vangen konden Nederlandse brouwerijen wel rekenen op iets wat er in 1914-1918 nog niet was: binnenlandse gerst.
Sinds eind jaren twintig kwam die onder meer uit Zeeland. In 1934 was ook een Nationaal Comité voor Brouwgerst, NaCoBrouw, opgericht, om aan verbetering van de Nederlandse gerst te gaan werken. Niettemin bliefden de brouwerijen die jarenlang niet. Pas in september 1939, toen de oorlog was uitgebroken en er een brouwgersttentoonstelling in Utrecht plaatsvond, veranderde hun houding. Alle aangeboden gerst werd daar ook verkocht.
Toen de tekorten zich manifesteerden was deze ‘eigen’ gerst natuurlijk helemaal een welkome aanvulling. Brand zou tijdens de oorlog zelfs volledig zijn overgegaan op Nederlandse gerst. Die bewering, in de geschiedschrijving van de Wylrese brouwerij, moet met een korrel zout worden genomen. Ook de quota Nederlandse gerst werden uiteindelijk verdeeld door het CBK. Daaraan voorafgaand werden die in de opslagplaatsen van brouwgersthandelaren gemengd met andere gerst. De partijen van de Nederlandse telers waren namelijk te klein. Wat de brouwers dus ontvingen waren mengsels van gelijksoortige partijen.
De kwaliteit van de Nederlandse gerst was op zich goed, maar helemaal tevreden erover waren de betrokkenen nog niet. Het vochtgehalte ervan was te hoog. Aan verbetering daarvan werd gewerkt. Veel keus had men op dat moment ook niet. De beschikbare hoeveelheden werden immers steeds kleiner.

Oorlogsbier, of ‘toch niet’?
De graantekorten hadden directe gevolgen voor het bier. Al in december 1940 was bekendgemaakt dat bockbier dat jaar niet mocht worden gebrouwen. Maar daar bleef het niet bij. Uiteindelijk moest ook het stamwortgehalte van ‘gewoon’ bier omlaag, net als tijdens de Eerste Wereldoorlog. Met ingang van 15 januari 1941 moesten de brouwerijen het bier 15 procent lichter maken. Dat was niet voor het laatst. Nog drie keer voerde het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening nieuwe verlagingen door: per 1 september 1941, 6 juli 1942 en 3 augustus 1942. Uiteindelijk resteerden volkomen onaanzienlijke stamwortgehaltes: 2,9 tot 3,1 graden voor lagerbier (gelijk aan 3 kilo mout voor 100 liter bier), 3,4 tot 3,6 graden voor zogenoemd ‘tusschenbier’, 3,9 tot 4,1 graden voor zwaar bier (pilsener en münchener) en 6,2 tot 6,4 graden voor stout. De gehaltes van de lichtgekleurde bieren waren nog veel lager dan die van het oorlogsbier van 1917.
De opeenvolgende maatregelen hadden behalve het oplopende graantekort nog een andere, wellicht minder voor de hand liggende oorzaak: een sterk toegenomen consumptie van bier. Die was grotendeels te wijten aan de algehele schaarste: er was weinig anders beschikbaar. Omdat deze groeiende dorst naar bier dus gepaard ging aan dat evenzeer toenemende grondstoffentekort, waren de herhaalde ingrepen onontkoombaar. Besloten werd, mede op instigatie van het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening, om ‘de kwaliteit van het bier op te offeren ten behoeve van de kwantiteit’. Men vreesde dat er anders biertekorten zouden ontstaan. In 1943 zouden de brouwerijen samen 2 miljoen hectoliter afzetten, tegen 1,37 miljoen hectoliter in 1938. Maar na de opeenvolgende stamwortverlagingen werd daarin toen nog slechts 9 duizend ton gerst verwerkt, tegen voorheen 25 duizend ton.

Wat bleef er uiteindelijk over van het bier van voor de oorlog? In de jaren twintig en dertig was lichtgekleurd lagerbier sterk in aanzien gestegen. De consumptie van pilsener met 4,5 tot 5 volumeprocent alcohol nam elk jaar toe. Lichtere versies van lagerbier met 3,1 tot 3,6 procent deden het ook goed, sinds 1935 was er zoet oud bruin voor de liefhebbers van donker bier en daarnaast waren er nog slinkende aandelen münchener, dortmunder, stout en bockbier. Van de meest gedronken bieren maakten de brouwers op den duur dus noodgedwongen karikaturen die een fractie van de normale alcoholpercentages telden. Ze poogden die nog op te pimpen met extra hop en karamelkleurstof.
De stamwortverlagingen werden (anders dan tijdens de Eerste Wereldoorlog) op den duur ook niet meer publiek gemaakt, uit angst dat dit het vertrouwen van de consument in het bier zou aantasten. Zo schreef Het Vaderland op 20 maart 1941 dat de levering van pilsener wegens het grondstoffentekort met 20 procent was verminderd: ‘Door hoogerhand zijn de brouwerijen echter aan een bepaalde verhouding tusschen de omzetten van zwaar en lager bier gebonden, waaruit voortvloeit dat een belangrijk deel van het zware debiet door lager bier moet worden vervangen.’ Dat klopte, maar was dus slechts de helft van de waarheid.
De vrees voor publiciteit rond de afgenomen kwaliteit was niet ongegrond. Die terugval moest wel in de gaten lopen. Vooral liefhebbers van pilsener waren in de aap gelogeerd, want dat had voor de oorlog een stamwortgehalte van 12 graden. Hiervan resteerde in de praktijk ongeveer een derde, met alle gevolgen ook voor het alcoholgehalte en dus de smaak. Geen wonder dat zich in mei 1943 een consument tot de vragenrubriek ‘Briefwisseling’ van de Delftsche Courant wendde: ‘Vraag: Hoeveel moet tegenwoordig het alcoholpercentage van pilsener-, hoeveel dat van Münchener bier bedragen?’ Het antwoord van de krant, ‘Van beide soorten 5%’, was op zich niet fout. Een verplicht alcoholpercentage bestond niet, en zeker van pilsener stond dit gehalte bekend. Maar het gaf evengoed blijk van (mogelijk bewust toegepaste) onkunde inzake de toestand van het pilsener op dat moment.
Doorsneedrinkers zonder kennis daarvan hadden alleen hun eigen antennes om op af te gaan. De smaak zal duidelijk anders – lees: minder – zijn geweest, van nagenoeg alle soorten. Zelfs aanlengen van dat dunne bier met water kwam voor. Er bestond bier met slechts 1,1 volumeprocent alcohol. Het product van brouwerij Het Bourgogne Kruis te Oudenbosch werd ter plekke als ‘piesterbier’ aangeduid.
Niet iedereen liet zich het plezier erdoor afnemen. De Limburger Koerier deed op 21 januari 1942 verslag van een kroegentocht door een groep jonge schutterijgezellen in Arcen: ‘Zoo heerschte er, niettegenstaande het feit, dat het bier dunner is geworden, toch spoedig een gezellige stemming onder de “trekkers” en in menig café werd gedemonstreerd [...] dat men met de schaarsche middelen, waarover men kan beschikken, toch nog plezier kan maken.’
De schaarste leidde ook tot groeiende eenvormigheid van het biermenu. Na 1941 waren er nog amper vermeldingen van of advertenties met pilsener, lagerbier of oud bruin, maar die werden hier tenminste gebrouwen. Dortmunder, in mei 1941 nog te vinden van Phoenix en De Drie Hoefijzers, was uiteindelijk steevast importbier, van Union of Aktien. Het werd vaak aangeprezen in Duitstalige of ‘bruine’ bladen, dus de doorsnee Nederlander zal er weinig van aan de lippen hebben gehad.

Op den duur begonnen sommige randstedelijke brouwerijen wel ook extra donker lagerbier te leveren. Een opmerkelijk besluit: Heineken had er ooit groot succes mee geboekt, maar het was reeds decennia volledig uit de gratie. Men hoopte de bierdrinker kennelijk te plezieren met meer variatie. Op zich was dat geen gekke gedachte, want de Nederlander dronk dus veel bier.
Soms dook er een vreemde eend in deze bijt op. In de Friesche Courant van 16 oktober 1943 liet café Siemonsma per advertentie weten dat ‘Maastrichts Oud Bier weder verkrijgbaar’ was. Het donkere, zoetzure Maastrichts oud had mogelijk minder te lijden onder de stamwortverlagingen. Dit biertype bevatte vaak al slechts 3 tot 4 volumeprocent alcohol en had met zijn uitgesproken rinse smaak een wapen tegen de noodgedwongen ‘dunheid’.

Lafenis voor de bezetter
Parallel aan de stamwortverlagingen werd de bieraccijns vanaf 1 februari 1941 tot 6 juli 1942 juist diverse keren verhoogd. Bedroeg deze daarvoor nog ƒ 1,50 per hectoliter, uiteindelijk kwam hij uit op ƒ 4,20 – een totale verhoging van 280 procent in nog geen anderhalf jaar.
Op 18 augustus 1942 trad voorts een prijzenbeschikking in werking, die de verkoop van bier op fust of fles aan wettelijke maximumprijzen bond. Per 24 mei 1943 werden alweer nieuwe maximumprijzen voorgeschreven voor zwaar en lagerbier in de horeca in glasmaten van 0,2 tot 0,4 liter.
Die ene zonnige zijde van het bierbrouwen bleef echter: de grote afzet. De Schaapskooi, de brouwerij van het trappistenklooster Koningshoeven, ging van een verlies van ƒ 33.000 in 1940 naar een winst van ƒ100.000 in 1941. Bavaria kende in 1941 een winststijging van 131 procent. Zelfs de in moeilijkheden verkerende brouwerij De Gekroonde Valk boekte tijdens de oorlog ineens weer een kleine winst.
De Nederlander bleef niet alleen bier drinken, maar ook steeds meer. Bovendien was hij niet de enige: de vele Duitse ‘medelanders’ lustten ook graag een glas.
Wehrmacht, SS, Ordnungspolizei, enzovoorts: de leden van de diverse geledingen van de bezetter in ons land moesten gevoed en gelaafd worden. Daarvoor was het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening verantwoordelijk, dat als het ware bestellingen ontving voor bepaalde regio’s en periodes en vervolgens de bedrijfschappen aan het werk zette. Voor bier was dat dus het CBK, dat hiermee opnieuw een belangrijke taak te vervullen kreeg. De brouwerijen werden kortom verplicht bier te leveren aan de alhier aanwezige Duitsers.
Heineken-geschiedschrijver Korthals vermeldde in 1948, kennelijk als zinvol geachte context, dat Adolf Hitler zelve een oekaze ‘Bier soll sein’ zou hebben uitgevaardigd – oftewel, er moest altijd bier kunnen worden gedronken. Alle Nederlandse publicaties over bier- en brouwerijgeschiedenis hebben dit daarna van hem overgenomen. Ze transformeerden deze ‘oekaze’ soms zelfs in een ‘decreet’. Her en der heet dit ook aan de basis van de verplichte Nederlandse bierleveringen aan de Duitsers te hebben gestaan. In werkelijkheid is dit bevel nergens te vinden. De tweedelige editie van Hitlers Reden und Proklamationen, 1932-1945 bevat zoiets niet. Historica Dorothea Schmidt vermeldt het evenmin in haar studie van de nationaalsocialisten en bier. Daarnaast: wat zou Hitler met die bierleveringen te maken moeten hebben gehad? Zulke dagelijkse bestuurlijke kwesties waren de verantwoordelijkheid van het rijksbestuur over Nederland onder Seyss-Inquart. De rijkscommissaris had bovendien een prima persoonlijke relatie met de Führer. Seyss-Inquart manoeuvreerde ook handig tussen en rond de diverse Duitse instanties en bleef altijd de baas. Hij was volgens Hitler slim, aalglad en indien nodig hard, kortom een ideale regisseur van zaken als deze. Hitler zelf hoefde en moest daar niets mee.
De regel werd dat iedere Wehrmacht-soldaat recht had op 2 liter bier per week. Het was wederom het CBK dat ervoor zorgde dat al dat bier werd gebrouwen en op zijn plaats terechtkwam. Net als de graanvoorziening verdeelde het CBK deze leveringen vanaf 1941 proportioneel over de brouwerijen.
Die hebben nooit meer dan 8 procent van de totale omzet van de brouwerijen gevormd. Het boek over de geschiedenis van Bavaria vermeldt dat het daar 11 procent was en vindt dat opvallend veel ‘meer dan gemiddeld’. De auteurs speculeren zelfs over mogelijke oorzaken daarvoor: de naam van het bedrijf klonk vertrouwd voor Duitsers en het lichtgekleurde bier deed het bij hen beter dan het donkere lager van Heineken, Amstel en Oranjeboom. Het zijn misperen. Die grote randstedelijke bedrijven brouwden ook echt (nee, véél) ander bier dan donker lager – en verder werd de verdeling als gezegd door het CBK geregeld en gebeurde dat proportioneel. Bij De Gekroonde Valk ging het om 10 procent, dus zo bijzonder was die hoeveelheid van Bavaria niet. Die 8 procent was over alle brouwerijen gerekend, en zo’n gemiddelde komt met hogere en lagere hoeveelheden.
De verplichte en gestage leveringen zijn waarschijnlijk in het voordeel van de brouwerijen geweest toen het CBK bij de bezetter pleitte tegen de vordering van werknemers en koperen materialen. Niettemin was deze praktijk niet geliefd bij de brouwerijen. De verplichte leveranties werden normaal betaald, maar fusten en flessen kwamen vaak niet retour.
De glasschaarste die tijdens de Bezetting ontstond had op den duur nog een ander gevolg in de bierwereld. Om die te ondervangen werd een statiegeldregeling ingevoerd. Op 14 juli 1942 werd het verplicht gesteld om statiegeld op ‘flesschen, kruiken of potten’ te heffen en dit ook op het etiket te vermelden. Het mocht niet hoger zijn dan de kostprijs van de fles, hetgeen voor brouwers neerkwam op 10 cent voor een fles van 30 cl en 15 cent voor een fles van 45 cl. Ongetwijfeld komt dit de hedendaagse lezer bekend voor – en we ‘danken’ dit nu doodgewone verschijnsel dus aan de bezetter. Voor de kroonkurken werd iets dergelijks geprobeerd, maar dat werd geen succes.

Ein Bier, bitte
Het zou interessant zijn te weten hoe de Duitsers op het Nederlandse bier reageerden. Veel keus hadden ook zij natuurlijk niet. Met de kwaliteit zal in het algemeen niet veel mis zijn geweest, maar het werd al snel dus veel dunner en lichter.
Op enkele foto’s zijn Duitse soldaten te zien die poseren met of bij ons bier. Zo werd een lid van de 1.Zug Werftkompanie 23 VI van de Luftwaffe, die neergestorte vliegtuigen borg, in 1940 gekiekt bij een reclame voor ‘Oudt Bruyn’ van Van Vollenhoven (De Gekroonde Valk).

Dat was overigens gewoon oud bruin met een ouderwets taal- en beeldsausje erover. Het is de vraag of dit uitgesproken zoete bier met 3,5 volumeprocent alcohol de Duitsers kon bekoren. Enigszins vergelijkbaar was het befaamde bruine winterbier Paulus Jonas van brouwerij De Sleutel uit Dordrecht, waarvan leveringsarchivalia uit 1943 zijn bewaard die erop duiden dat Wehrmachtsoldaten hier niet veel van moesten hebben.
Paulus Jonas was ook nog eens een vreemde bovengistende eend in de Nederlandse bijt die inmiddels veel lager bevatte. Wat dat betreft moeten de Duitsers wel met ons bier uit de voeten hebben gekund. Op de eerder gememoreerde verbroederingsfoto dronken ze Oranjeboom en het Rijksmuseum bewaart een album met bezetterskiekjes waarop Wehrmachtsoldaten ZHB Extra Lager drinken.

Om daaraan te komen gingen sommigen zelfs vrij ver. Op een warme middag zou een Duitse soldaat met zijn geweer in de aanslag bier zijn komen eisen op het kantoor van de brouwerij in Den Haag. Hiervoor naar een winkel verwezen zijnde schoot hij daar zelfs in het plafond toen het hem te lang duurde.
Had de ZHB dit misschien deels aan zichzelf te wijten, inclusief de kwaliteit van haar bier? Met het oog op alle Duitsers in ons land verschenen er ook Duitstalige bladen. En al op 9 juni 1940 adverteerde de brouwerij in de Deutsche Zeitung in den Niederlanden met haar ‘Herrlich’ en ‘frisches Glas ZHB Bier’.

Dat was ook bepaald niet voor het laatst. Opmerkelijk overigens: cafés voor Nederlandse collaborateurs adverteerden juist uitdrukkelijk met uit Duitsland geïmporteerd bier.

Brouwen met hindernissen
Tijdens de Bezetting botsten de brouwerijen op de langere termijn op allerlei onbekende praktische moeilijkheden. Het maken van dunner bier bleek bijvoorbeeld geen sinecure. Dat stelde vooral kleinere brouwerijen voor brouwproblemen. Om bepaalde kennis ter zake op te schroeven werd in 1942 de Stichting Proefstation der Nederlandsche Brouw- en Moutindustrie (PBM) opgericht. Maar liefst 75 brouwerijen sloten zich aan bij deze organisatie die research verrichtte en adviezen uitbracht inzake de productie.
Vooral bleven de tekorten groeien – aan van alles en nog wat. Dat begon met gerst, steenkolen en nog zo wat goederen, en gold uiteindelijk ook voor personeel. Het CBK wist aanvankelijk te voorkomen dat de bezetter brouwerijmedewerkers vorderde als arbeidskracht, maar dit bleek op de lange duur onvermijdelijk. Een flink aantal grotere brouwerijen moest personeel afstaan aan de Hauptabteilung Gewerbliche Wirtschaft – in elk geval Amstel, Bavaria, Brand, Dommelsch, De Drie Hoefijzers, Heineken, De Hengelosche, Keizer Barbarossa, De Klok, Oranjeboom, Phoenix, De Schaapskooi, Van Vollenhoven en de ZHB. Van het personeel van Amstel ging in 1942 en 1943 zelfs meer dan 60 procent voor tewerkstelling naar Duitsland. Ouderen, meisjes en vrouwen werden in hun plaats aangeworven. Rond Dommelsch waren er regelmatig razzia’s waardoor de familie Snieders, eigenaars van de brouwerij, en haar medewerkers soms moesten onderduiken, ondanks de afspraken met de bezetter.
Ook het in de brouwerijen aanwezige koper was niet meer veilig. Bij brouwerij en mouterij De Zwaan in het Zeeuws-Vlaamse Kloosterzande werden de koperen brouwketels weggehaald. Er is daarna nooit meer gebrouwen. Na de oorlog ging het bedrijf verder als mouterij en werd belangrijk en succesvol.
Ook transport werd overal een groot en groeiend probleem. Bij talloze brouwerijen werden de bedrijfsauto’s gevorderd door de bezetter. Op 1 februari 1943 eiste die bij de Phoenixbrouwerij in Amersfoort ook de garage op. Voor hun distributie zetten brouwerijen hierna ouderwets paard en wagen in.

Droge kelen
Een jaar eerder al waren de bierbrouwerijen zonder een ander essentieel middel komen te zitten. De steenkolenaanvoer stagneerde. Een heuse drooglegging was op den duur het gevolg. Op 13 februari 1942 brachten de kranten het nieuws dat de brouwerijen werden stilgelegd. Er kwam voorlopig geen nieuw bier. Cafés konden hun biervoorraden wel gewoon opmaken, maar wegens de rantsoenering van de grondstoffen waren die nergens groot. In maart waren alle reserves bij tussenhandel en cafés opgebruikt. Voor de tweede keer na de Meidagen van 1940 kwam het land zodoende droog te liggen – en nu voor langere tijd.
Op het brouwverbod werd wel een uitzondering gemaakt. Soldaten van de Wehrmacht moesten gewoon bier hebben en krijgen. De brouwerijen met de meeste steenkoolreserves ‘mochten’ dat brouwen, waaronder Bavaria.
De algemene levering kwam per 30 maart weer op gang, haperend door vervoersproblemen die zich toen al voordeden en door de nog steeds niet florissante steenkolensituatie. Het streven was 7,8 procent van de jaarafzet in roulatie te brengen, maar in de praktijk kon het niet meer dan 7 procent zijn. Gewoon ergens een glas bier gaan drinken was er nog even niet bij. Een caféhouder in Orthen nabij ’s-Hertogenbosch ging zelfs over tot eigen rantsoenering: hij introduceerde een bonkaart waarmee gasten bier of borrel konden kopen.
Per 1 mei 1943 volgde een nieuwe drooglegging, maar die had een heel andere oorzaak. Na een eerdere afkondiging voor Overijssel, Limburg, Noord-Holland en Gelderland werd in geheel Nederland het politiestandrecht ingevoerd, dat een verbod op samenscholingen, uitgaan en alcohol schenken omvatte. Aanleiding waren de April-meistakingen in heel Nederland, een protest tegen de bekendmaking dat de ongeveer 300 duizend Nederlandse militairen die gevochten hadden bij de Duitse inval verplicht moesten gaan werken in Duitsland. Meer dan 500 duizend mensen legden uiteindelijk het werk neer. Het was bloedlink wegens het standrecht. Tachtig stakers werden gefusilleerd, anderen stierven toen er op groepen stakers werd geschoten en weer anderen in een strafkamp.
Geen alcohol schenken was in dit geval dus onderdeel van een harde disciplinaire maatregel. Politiechef Rauter liet het schenken van (alleen) bier per 9 mei weer toe, maar in deze context was dat in wezen een futiliteit.
Waar hadden we het eigenlijk ook alweer over? Wel, inmiddels hadden we het over een schrikbewind en vervolging.

Onderduiken tussen het bier
Vervolging leidde tot onderduiken. Talloos zijn de verhalen over Nederlanders die een goed en vooral onzichtbaar heenkomen moesten zoeken om aan het Duitse gezag te ontkomen. Onder hen waren verzetsstrijders, dwangarbeidkandidaten en Joden.
Bierbrouwerijen bleken toen een uitstekende plek te zijn voor onderduik. Een brouwerij is immers rijk aan verschillende hoeken, vertrekken en ruimtes, met niet in de laatste plaats aan het zicht onttrokken kelders en zolders. Dan ging het er alleen nog om dat leiding en medewerkers die ook beschikbaar wilden stellen.
Uit verschillende getuigenissen en verhalen blijkt dat daar de schoen niet wrong. Brouwers hadden niet minder een hekel aan de Duitse bezetter dan willekeurig welke burger. Ze verkochten hem bier, maar hij nam hen ook het nodige af – personeel, koperwerk en niet in de laatste plaats vrijheid en identiteit. Zo bepaalde de Duitse bezetter dat Heineken de wapens van koningin Wilhelmina en prins Hendrik niet meer op de etiketten mocht hebben. Ze werden eruit gestanst, en latere etiketten werden zonder de wapens gedrukt.

Hoe dan ook heeft Heineken zich met diverse activiteiten in feite tegen de bezetter gericht. De Amsterdamse vestiging herbergde na 5 september 1944, de ‘Dolle Dinsdag’ waarop Nederlanders ten onrechte dachten dat de bevrijding nabij was, onderduikers die op de vlucht waren voor Duitse razzia’s. Tijdens de Hongerwinter verborgen personeelsleden zich er om te ontkomen aan mogelijke opeising als arbeidskracht in Duitsland. In Rotterdam gebeurde hetzelfde. Het duurde soms maar enkele dagen omdat de razzia’s kortstondig plaatsvonden.
Ook bij Bavaria in Lieshout zaten onderduikers, onder meer in moutsilo’s. Behalve tewerkstellingskandidaten waren daar verzetslieden onder. De familie Swinkels verleende ook hulp aan neergekomen geallieerde piloten.
Brouwerij Het Hert in Vlijmen, die op den duur geheel stil kwam te liggen, opende de kelders ruimhartig voor Joodse onderduikers. Een aantal van hen kon ook terecht bij Amstel op de Mauritskade – maar niet in de kelders. Conciërge Anton Stoke, die zich over hen ontfermde, woonde weliswaar pal boven een kelder, maar die was ongeschikt voor onderduiken. Het was een vrieskelder waar ijsstaven werden vervaardigd. Zijn gezin en hij hadden in hun conciërgewoning echter ook nog een ruimte boven zich – een grote zolder. Vanaf 1942 stelden ze die open voor Joodse onderduikers, uiteindelijk 21 in getal. Het is onduidelijk of de directie ervan heeft geweten.
Die zolder was wel een buitengewoon tricky plaats voor onderduikers. Beneden, bij de portierskamer, waren namelijk Duitse politieagenten ingekwartierd en op het dak van de brouwerij stond Duits afweergeschut. Duitsers liepen hier dagelijks rond, en kwamen bij de conciërgewoning ook om gratis bier vragen. De Joodse onderduikers hebben er niettemin twee jaar gezeten en overleefd. Meer over hun wederwaardigheden is na te lezen op joodsamsterdam.nl.

Clandestiniteit tussen de ketels
De illegaliteit in bezet Nederland had naast de onderduik nog een ander gezicht: het ondergronds verzet. Ook dat kwam op meerdere plaatsen over de brouwvloer.
In het Rotterdamse kantoorgebouw van Heineken was sinds de jaarwisseling van 1944-1945 zelfs het hoofdkwartier van de plaatselijke ondergrondse gevestigd. Leden ervan kregen exclusief toegang met wachtwoorden en liepen er gewapend rond. Het was riskant voor het geval er Duitsers zouden zijn binnengelopen – en dat was bepaald niet onwaarschijnlijk. Op de brouwerij zelf kwamen regelmatig Duitsers langs. Ook daar was dat gevaarlijk: er zaten onderduikers, en datzelfde verzet hield er naar verluidt schietoefeningen. Heineken Rotterdam was een broeinest van risico’s, maar die onttrokken zich allemaal aan mensenogen, in het bijzonder Duitse.
Bij Brand in Wylre gebeurde iets soortgelijks. Leden van de familie Brand stimuleerden individueel het verzet. Er kwamen soms ‘vreemde gasten’ op bezoek op de brouwerij. Op de Phoenixbrouwerij in Amersfoort tikten vrijwilligers radioberichten van de BBC en Radio Oranje uit, waarna deze werden vermenigvuldigd en verspreid.
Voor clandestien drukwerk was de bezetter allerminst blind. Die verplichtte drukkers hun werk daarom te voorzien van een K-nummer, oftewel een kennummer. Het diende als registratiemiddel om eventueel ‘ongewenst’ drukwerk op te sporen. Door het papiergebruik met deze K-nummers te monitoren hoopte de bezetter na te gaan welke drukkerijen zoiets mogelijk produceerden. Daarom moesten de nummers ook op bieretiketten staan.
Zo’n gekke gedachte was dit niet. Er gebeurden mistige dingen in de bierwereld tijdens de oorlog. Het CBK deed mee met de bezetter inzake de verplichte bierleveringen aan Duitsers en organiseerde die volledig. Maar deze werkten ook tegen hen. Uit de geografische spreiding en diversiteit van de bierleveringen viel op te maken waar en hoeveel Duitse soldaten zich in Nederland ophielden. Die interessante gegevens vielen toe aan de Engelse spionagedienst. Daar kwam de Duitse contraspionage vervolgens weer achter. Stikker lijkt in zijn memoires te citeren uit een brief waarin de Duitsers hem ter verantwoording riepen omdat ze ‘van onze bronnen in Londen hebben vernomen dat de vijand door middel van de Nederlandse bierleveranties op de hoogte is van de sterkte en ligging van onze garnizoenen in Nederland’. Hij wees de Duitsers er toen op dat hij in den beginne al op mogelijke gevaren in dit systeem had gewezen. Bovendien werkten er minimaal 70 mensen bij het CBK die hij onmogelijk allemaal kon controleren.
Deze geschiedenis heeft in 1992 nog een vermakelijk vervolg gekregen. Freddy Heineken liet zich interviewen voor het boek Vakwerk van Sylvia Toth, directeur van uitzendbureau Content. Hij presenteerde zich daarin als directe getuige van die ‘bierspionage’. Meer nog, toen hij tijdens de oorlog als jongeling bij Heineken in Rotterdam werkte, was hij ‘Wehrmachtsvertreter’ en zat hij er zodoende bovenop. Die ‘twee liter bier per week’ voor soldaten leverden ‘door die registratie per soldaat essentiële gegevens op [...] die goed inzicht geven in de troepenverplaatsing binnen Europa. [...] We zorgden ervoor dat die gegevens in Engeland op de juiste plaats terechtkwamen.’ En hij had moeten onderduiken toen de Duitse contraspionage dit had ontdekt.
Het haalde uiteraard de kranten, maar daags daarna, op 28 oktober 1992, ontvouwde NRC Handelsblad al dat dit grootspraak was van Freddy. De leveranties aan de Duitsers en de ‘spionage’ voor de Engelsen waren helemaal niet het werk van Heineken geweest, maar van het CBK. Freddy had dit alles uit Dirk Stikkers memoires gehaald en zich deze heldendaad, aangedikt met onmogelijke kronkels, een halve eeuw later toegeëigend. Komisch detail: Freddy is zijn loopbaan in 1942 in werkelijkheid begonnen met het schoonmaken van brouwketels. Daarna vervulde hij nog een stage op de afdeling inkoop grondstoffen, waar avontuur ook ver te zoeken zal zijn geweest.
Over demystificatie gesproken: zouden die ‘troepengegevens’ inderdaad via het CBK naar de Engelsen zijn gelekt? Of, althans: zou het na de ontdekking daarvan bij een boze reactie van de bezettingsautoriteiten aan Stikker zijn gebleven? Zouden de Duitse rapen niet veel gaarder moeten zijn geweest na zo’n affaire? Hoe die gegevens precies vanuit het CBK bij de Engelsen belandden blijft ook in het vage. Anderzijds: was Stikker de man om zo’n verhaal te verzinnen?
Freddy had in elk geval beter het oorlogsverhaal kunnen vertellen over zijn minder bekende vader Henry Heineken, de (niet-biologische) zoon van oprichter Gerard die ellenlang de scepter over het familiebedrijf heeft gezwaaid. Hij kan dat verhaal hebben gekend, want het heeft de muziekwereld als decor en Freddy kwam uit een muzikaal gezin. Zijn vader, volgens hem een ‘pianist van concertklasse’, was bestuurslid van het Concertgebouworkest. Vandaar dat hij een band had met de celliste en dirigente Frieda Belinfante. Die diste het verhaal later in de jaren negentig op.
Frieda had zich tijdens de bezetting niet bij de door de bezetter verplichte Kultuurkamer willen aansluiten. Derhalve had ze tijd voor ander werk: verzetswerk, in het bijzonder het vervalsen van identiteitspapieren. Dat deed ze bij een groep onder leiding van de beeldend kunstenaar Willem Arondéus, waarbij ook onder meer Gerrit Jan van der Veen was aangesloten. De groep is vooral bekend geworden van de even moedige als intelligente (maar deels mislukte) aanslag op het Amsterdamse bevolkingsregister op 27 maart 1943, waarna een groot aantal leden werd verraden, opgepakt en gefusilleerd. Hun vervalsingswerk was een uiterst arbeidsintensieve, complexe en kostbare activiteit. Toen het geld ervoor op begon te raken, ging Frieda met de pet rond – onder meer bij Henry Heineken. Die wist echter niet hoe hij iets voor haar kon betekenen. De Duitsers keken letterlijk over zijn schouder mee bij de bestuurlijke en financiële transacties van zijn bedrijf. Frieda kwam daarop met een bijzonder idee: dat Henry haar cello zou kopen voor honderd maal de eigenlijke waarde. Ook dit was riskant, maar zo’n aankoop door een groot muziekliefhebber zou minder snel argwaan wekken.
Aldus geschiedde; en zo kwam het dat Heineken tijdens de oorlog ook het verzet heeft gefinancierd.

Honger en dorst
Bier is gedurende de oorlog een langzaam aflopende zaak geweest. Hij ging gelijk op met de Duitse overheersing: er bleef steeds minder van over. De kwaliteitsval in de jaren 1942 en 1943 was nog min of meer geleidelijk en geregisseerd geweest, maar in het laatste jaar van de oorlog werden de omstandigheden steeds nijpender en onbeheersbaar, en zeker op het gebied van eten en drinken.
Na de geallieerde invasie in Normandië op 6 juni 1944 dachten sommigen even dat de bezetting snel voorbij zou zijn. Bij Brand werd illegaal een zwaarder bier gebrouwen met het oog op een nakend bevrijdingsfeest. Dat liet echter veel langer op zich wachten. Ondertussen verhoogde het Ministerie van Financiën per 15 augustus de bieraccijns nog eens door opcenten in rekening te brengen. Een glas zou 2 tot 3 cent meer gaan kosten.
Al snel bleek dat besluit in deze fase van de oorlog een lege huls. Op 16 september (een dag voor de Slag om Arnhem en het begin van de Spoorwegstaking) kondigde het Ministerie van Landbouw en Visscherij aan dat met onmiddellijke ingang onder meer ‘de bereiding van bier, ijspoeder en consumptie-ijs verboden’ was. Het ging hier om een rigoureuze beperking van het gebruik van grondstoffen. Voor de vierde keer werd het land dus drooggelegd.
Brouwen zou trouwens niet eens mogelijk zijn geweest. De grondstoffen in kwestie waren vooral steenkolen en gist, aldus de Rijksdienst. Bovendien werden de brouwerijen tegelijkertijd verplicht hun voorraden mout ter beschikking te houden van het Bedrijfschap voor granen, zaden en peulvruchten. Tot nader order was het verboden deze voor te bereiden of te gebruiken voor consumptie (ook door dieren!).
Voor de uitvoering van het ministerieel besluit werd wel met twee maten gemeten. Bij brouwerijen in Amsterdam, Rotterdam en Groningen werden in oktober nog aanwezige biervoorraden in beslag genomen, teneinde de bevoorrading van de Wehrmacht zeker te stellen. Wegens deze inbeslagnames mochten de brouwerijen echter geen bier voor de burgerbevolking verkopen. Een deel van de voorraden was begin oktober nog wel ter beschikking gesteld, maar uit de voorlopig nog niet onaanzienlijke hoeveelheden die overbleven mocht dat niet.
Er dreigde daardoor bier te gaan bederven. Stikker drong er daarom op 25 oktober bij de Rijksdienst op aan dat de Duitsers hun gewenste hoeveelheden op zijn minst zouden reserveren, waarna de rest aan de bevolking zou kunnen worden verkocht. Hij kreeg alleen gedaan dat Heineken nog eens 2000 hectoliter bier mocht verstrekken voor de bevolking en 750 hectoliter voor de Wehrmacht.
Op dat moment waren er in het zuiden van land al gebieden bevrijd. Vanaf 8 september werd er ook bij Brand in Wylre niet meer gewerkt, maar kort daarna werd het dorp bevrijd. Elders duurde dat (soms veel) langer. Venlo werd pas op 1 maart 1945 bevrijd, na zware gevechten. Bij Engelse bombardementen op 5 november was ook de laatste grote brouwerij van de stad, La Belle Alliance (plaatselijk beter bekend als Woltersbier), getroffen en verwoest, op de lagerkelders na. Er werd vermoedelijk sinds 1943 al niet meer gebrouwen en hij zou ook niet meer worden herbouwd.

In de bevrijde gebieden was de biertoestand niet veel beter. Er was naar verluidt aanvankelijk weer bier, maar de verkoop ervan werd in overleg met de autoriteiten van het bevrijde landsdeel per 1 december geheel stopgezet ‘gezien den precairen toestand der grondstoffenpositie’. Het besluit kwam naar buiten in advertenties. Daarop wijdde het Eindhovens Dagblad op 6 december een artikeltje aan deze traktatie onder de chagrijnige kop ‘Inplaats van “bock”’.
De brouwerijen mochten per 1 januari 1945 weer produceren en per 1 februari weer leveren, maar in maart gebeurde dat nog slechts zeer beperkt en alleen uit aanwezige voorraden. Het was spijtig, maar futiel vergeleken met de toestand in noordelijker streken. Daar had men inmiddels heel iets anders aan het hoofd dan bier. In november vonden er in Rotterdam en Schiedam razzia’s plaats, waarna de gezinnen van de opgepakte ‘arbeidskrachten’ onverzorgd achterbleven. Een groep bedrijven waaronder Heineken sprong in de bres met noodgelden voor hen. De bierbrouwerijen zelf fungeerden ook als decor van de om zich heen grijpende Hongerwinter. Amstel, Heineken Rotterdam en Phoenix in Amersfoort stelden hun terrein beschikbaar voor een gemeentelijke gaarkeuken die maaltijden bereidde. En konden ze geen bier brouwen, wel, dan maakten ze maar moutpap. Het personeel van Amstel kon daar twee keer per dag op rekenen. Ook de directie van Heineken in Rotterdam liet de laatste mout op den duur in een soort soep voor het personeel verwerken, gemaakt in de brouwketel. Toen die mout op was, werd deze vervangen door suikerbieten en beenderen.
Saillant detail is dat Heineken tijdens de Hongerwinter wel als bierbrouwerij is blijven produceren; volgens Stikker ‘in zeer beperkte mate’. Het bedrijf wilde niet stilgelegd worden om vorderingen van personeel en materialen te voorkomen. Daartoe heeft het de bezetter moeten misleiden, maar hoe dat in zijn werk ging ontvouwde Stikker niet.

Vooroorlogs en vrij
De laatste maanden moeten op jaren hebben geleken, maar uiteindelijk kwam ook in noordelijk Nederland de Bevrijding. Die is onder meer vastgelegd op een foto van een Canadese soldaat die in Rotterdam werd onthaald op ‘een voor deze gelegenheid speciaal achtergehouden partij vooroorlogs, goedgelagerd Heineken-bier’.

Of dit belegen bier nog wel smaakte vertelt de geschiedenis niet, maar soms moet je een goed verhaal ook laten voor wat het is. Dat geldt zeker voor dit voorbeeld, waarin alleen plaats is voor de vreugde van toen.
Na de Bevrijding kwam de levering wel weer langzaam op gang, maar op ‘ouderwets’ bier was het een hele tijd wachten. Distributie van grondstoffen bleef lang de praktijk en het bier werd slechts geleidelijk minder licht en dun. Dat spoor van de Bezetting zou nog tot 1948 voelbaar blijven. De trage wederopbouw drukte de bierconsumptie fors omlaag, zeker omdat er ondertussen diverse andere dranken opdoken.
In Venray lieten ze begin maart 1946 al zien dat het ook anders kon. Het Limburgse dorp vierde het eerste carnaval in vredestijd. De traditionele optocht trok er langs oorlogsruïnes. In oktober 1944 was Venray, na eerst geheel geëvacueerd te zijn, verwoest door zwaar artilleriegeweld. Voor de later teruggekeerde bewoners moesten vervolgens noodwoningen worden aangerukt, en het dorp zou nog lang daarna een desolate aanblik bieden. De optocht trok in bittere winterkou letterlijk langs de puinhopen van de oorlog.
Maar op een van de praalwagens stond de carnavalsprins. Sjeng I toostte de massaal uitgelopen dorpelingen toe – met een vol glas donker bier.

Voor dat eerste naoorlogse carnaval was de plaatselijke brouwerij Rutten in touw geweest; en uit de ketels was daar Döbbele Piëlhaas gekomen, een dubbelbock van 8 procent.
Samen met de peelhaas en de prins begon het dorp de demonen van de oorlog te verdrijven. De vrijheid was nog broos en labiel, maar in Venray werd hij schuimend omarmd.

Bronnen

Archieven

archief Centraal Brouwerij Kantoor, Stadsarchief Amsterdam
archief Heineken, Stadsarchief Amsterdam
archivalia Rijksdienst voor de Voedselvoorziening, Nationaal Archief
archief Brouwerij De Sleutel, Regionaal Archief Dordrecht

Bladen

afleveringen van Vers van ’t Vat en Heineken International Magazine
dag- en weekbladen uit de jaren 1939-1945 via delpher.nl

Documentaire

Stephen Fry en John Hay, Willem and Frieda – Defying the Nazis (film Channel 4, 2023)

Websites

joodsamsterdam.nl
zuidhollandschebierbrouwerij.nl

Literatuur

Hitler. Reden und Proklamationen, 1932-1945. Twee banden (Neustadt an der Aisch 1962-1963)
Daane 2016 ➤ Marco Daane, Bier in Nederland - een biografie, Amsterdam/Antwerpen 2016.
van Els 1946 ➤ Twan van Els, Herinnering aan vasteaovend 1946 (Z.pl, z.j.)
Groeneveld 2018 ➤ Gerard Groeneveld, Nach Holland. De meidagen van 1940 door Duitse ogen (Zwolle 2018)
Hovens 2004 ➤ Henk Hovens, Dommelsch Bier, ’n eeuwenoude traditie (Hechtel 2004)
de Jong 2018 1969-1994 ➤ L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Twaalf delen (’s-Gravenhage / Leiden 1969-1994)
Kleefkens 2022 ➤ Onno Kleefkens, Van Amersfoortsch Beijersch tot Phoenix Brouwerij. Bijna honderd jaar Amersfoortse biergeschiedenis (Amersfoort 2022)
Korthals 1948 ➤ H.A. Korthals, Korte geschiedenis der Heineken’s Bierbrouwerij Maatschappij N.V. 1873-1948 (Amsterdam 1948)
Lockefeer 1971 ➤ B.J.J. Lockefeer (red.), Honderd jaar Brand. De historie van een Limburgse brouwerij, 1871-1971 (Wylre 1971)
Schmidt 2019 ➤ Dorothea Schmidt, ‘Die Kraft der deutschen Erde.’ Das Bier im Nationalsozialismus und die Hauptvereinigung der deutschen Brauwirtschaft in Berlin-Schöneberg (Baden-Baden 2019)
Spapens 2009 ➤ Paul Spapens, Bier in alle eeuwigheid. 125 jaar trappistenbrouwerij De Koningshoeven 1884-2009 (Z.pl. z.j.)
Stikker 1966 ➤ Dirk U. Stikker, Memoires (Rotterdam / ’s-Gravenhage 1966)
Swinkels en Zwaal 2008 ➤ Antoon Swinkels en Peter Zwaal, Bavaria. Biografie van een brouwerij en een familie uit Lieshout (Lieshout 2008)
van der Woude 2009 ➤ Rolf E. van der Woude, Geloof in de brouwerij. Opkomst, bloei en ondergang van bierbrouwerij De Gekroonde Valk (Amsterdam 2009)
Zwaal 2010 ➤ Peter Zwaal, Amstel, het verhaal van ons bier 1870-heden (Amsterdam 2010)

Podcasts

Blogs

Adverteerders

×