Sommige jaartallen staan in de geschiedschrijving gegrift, omdat ze synoniem zijn met een bepalende gebeurtenis. Zo is 1321 het jaar waarin de graaf van Holland bierbrouwers formeel toestond hop te gebruiken. En 1867 is het jaar waarin de eerste ‘Beijersche’ brouwerij van Nederland van start ging. Het waren onomkeerbare ontwikkelingen in onze bierwereld.
Zo’n jaar is ook 1980: een kentering in onze vervaagde biercultuur kondigde zich toen aan, samengebald in diverse gebeurtenissen.
Daar zag het bij het begin van dat jaar nog helemaal niet naar uit – integendeel zelfs. Kort tevoren was de enige brouwerij van bovengistend bier van ons land gesloten. De Schaapskooi, de brouwerij van het trappistenklooster Koningshoeven in Berkel-Enschot, was sinds 1969 uitgebaat door het Belgische Artois-concern. De commercie was de monniken boven het hoofd gegroeid en ze hadden de exploitatie (behalve het recht om bovengistende bieren te brouwen, in de praktijk alleen nog op zeer kleine schaal mogelijk) overgedaan aan Artois. Dat nam ook de bezittingen over, uitgezonderd de gebouwen, vooral om er grotere volumes pilsener te produceren. In 1976 liep dat alweer spaak. Artois, dat ook de ‘Hengelosche’ en Dommelsch bezat, besloot uit efficiencyoverwegingen het per 1 oktober 1979 aflopende contract met het klooster niet te zullen verlengen. Zodoende was Nederland toen weer een brouwerij armer, en nog wel de enige waar heel af en toe iets bijzonders en bovengistends uit kwam.
Een absoluut dieptepunt in de biergeschiedenis en brouwerswereld was ook bereikt, met nog 13 brouwbedrijven en 21 brouwlocaties. En deze ontwikkeling leek niet te stuiten. Heineken had al bekendgemaakt de Amstelbrouwerij in 1982 te zullen sluiten. Skol, de Nederlandse tak van Allied Breweries, besloot in de loop van 1980 te saneren: de vestigingen in Helmond (waar werd vergist en gelagerd) en Arcen moesten dicht.
Op dat moment bleek er op de bodem van de put iets te gisten. De trappisten in Berkel-Enschot besloten na het vertrek van Artois weer zelf te gaan brouwen. Op bescheiden schaal, maar niet minder gepassioneerd kwamen zij in het voorjaar van 1980 opnieuw met een koperkleurig bovengistend bier van 7 procent alcohol, onder de naam La Trappe. In Helmond liet Skol-werknemer Toon van den Reek zich zelfs inspireren door het sluitingsspook. Hij had dat al zien aankomen. “In september vorig jaar ging de kogel door de kerk,” keek hij later in Het Vrije Volk terug. Toen “werd bij hem het idee geboren” om in de relatief kleine brouwerij in Arcen een nieuw begin met nieuw bier te maken, noteerde de Volkskrant. Met zijn collega’s Tan en Goos verrichtte Toon zelf marktonderzoek. Toen ze vervolgens kenbaar maakten voor zichzelf te willen beginnen met ouderwetse, bovengistende bieren, bood nota bene Skol zelf de brouwerij te huur aan en kwamen financiers over de brug.
Deze twee gebeurtenissen stonden niet op zichzelf. Ze waren de condensatie in de brouwwereld van een reeds langer gevoelde zin onder consumenten – zin in ánder bier dan de gigantische plas pils die onophoudelijk werd opgedronken en weer aangevuld. In Utrecht, Amsterdam, Rotterdam, Nijmegen en Breda bestonden al enkele jaren gespecialiseerde biercafés die vooral Belgische bieren serveerden. Een ervan, het Amsterdamse Gollem, had echter ook het eigen land in het vizier. Op 13 november 1978 organiseerde Gollem het ‘Nationale Bokbierfestival’, waar geïnteresseerden konden komen proeven van het Nederlandse bock – de enige biersoort naast pils die iets meer leven vertoonde. Bescheiden leven, gezien de omvang van het brouwwezen: van welgeteld zeven brouwerijen werden bocken aangekondigd.
De rol en symboliek hiervan waren echter groot. Liefhebbers kwamen op dit soort plaatsen samen, en ook onder hen begon het te gisten. Het kreeg concrete gevolgen in dat kardinale jaar 1980. Na een tweede bokbierfestival in Gollem in 1979 vond de derde editie plaats op een openbare en ‘neutrale’ locatie: de Koningszaal van Artis. En de organisatie was niet meer in handen van Gollem, maar van een heuse bierorganisatie: PINT, oftewel Promotie Informatie Traditioneel Bier. PINT profileerde zich als een consumentenorganisatie met vooral oog voor de zuiverheid, kwaliteit en diversiteit van het bier. Ze was kort daarvoor door een aantal liefhebbers opgericht naar het voorbeeld van CAMRA (Campaign for Real Ale), die sinds 1971 opkwam voor traditionele Britse bieren en pubs.
Al deze gebeurtenissen vielen op en kregen ook media-aandacht. De kersverse bestuurders van PINT konden krantenlezers voorspiegelen dat er ‘meer’ bestond dan pils – bockbier, ja, exoten als dortmunder, en trappistenbier uit Berkel-Enschot.
En een jaar later konden ze wijzen op de ‘Arcense Bierbrouwerij’, die in mei van 1981 inderdaad van start was gegaan. Met het doordrinkbare Oud Limburgs en de dubbel Magnus had die iets geheel nieuws aan de Nederlandse bierwereld toegevoegd. De Arcense zou ook snel meer bieren uitbrengen, waaronder de gerstewijn Grand Prestige die haar vlaggenschip zou worden.
De Volkskrant sprak van ‘de kleinste bierbrouwerij ter wereld’ – maar haar betekenis was immens. Vergeleken met het voorgaande voorjaar zag Nederland Bierland er ineens heel anders uit. In plaats van drie brouwerijen minder waren er opeens twee nieuwe, en wat voor. Ze zouden de voortrekkers blijken te zijn van een nieuw brouw-elan. De ‘vruchten van ’80’ zouden die zaadjes al spoedig verder verspreiden.