Aan het eind van de jaren zeventig werd in Nederland bijna alleen nog pils gedronken en gebrouwen. Pils was synoniem geworden voor bier en Nederland was een succesvol pilsland. Vooral dankzij de populariteit van Heineken in de Verenigde Staten was Nederland de grootste bierexporteur ter wereld.
Echter, de afname van het aantal brouwerijen, waarvan de overblijvende steeds groter werden en een zeer beperkt aantal biersoorten produceerden, leidde tot een tegenbeweging. Andere biertypen wekten in toenemende mate interesse. Gedurende de jaren zeventig kwamen er steeds meer gespecialiseerde biercafés en groeide de belangstelling om thuis zelf bier te brouwen. Dat laatste was overigens volgens de accijnswet verboden, maar werd door de fiscus oogluikend toegestaan. Pas na een wetswijziging in 1992 werd het formeel toegestaan om thuis voor eigen gebruik tot 50 liter bier te brouwen.
In 1980 kreeg deze tegenbeweging een formeel karakter met de oprichting van de consumentenvereniging Promotie Informatie Traditioneel bier (PINT). Naar het voorbeeld van de Engelse zustervereniging CAMRA (Campaign for Real Ale) stelde zij zich als doel de biercultuur in Nederland te bevorderen. Dat deed PINT met een eigen magazine en de organisatie van bierfestivals, proeverijen en excursies.
Nieuwe brouwerijen...
De belangrijkste gebeurtenis in deze ontwikkeling was de oprichting van de Arcense Bierbrouwerij in 1981. Voor het eerst in bijna zestig jaar werd in Nederland een nieuwe brouwerij gestart, die bovendien uitsluitend bovengistende bieren produceerde. Met de introductie van Oud Limburgs, dubbel, tripel, Grand Prestige, winter- en tarwebier werd het Nederlandse bierassortiment al snel bijna verdubbeld. In hetzelfde jaar werd ook de eerste Nederlandse brouwerijhuurder opgericht. Brouwerij Sloth uit De Steeg had geen eigen brouwinstallatie, maar brouwde haar bieren in de ketels van De Schaapskooi in Berkel-Enschot.
Het aantal brouwerijen nam vervolgens geleidelijk toe van 21 in 1980 naar 33 in 1990 en ook daarna kwamen er elk jaar nieuwe initiatieven bij. Het grote publiek raakte langzaam bekend met andere biersmaken naast het vertrouwde pils. Gespecialiseerd daarin waren de leden van de Alliantie van Biertapperijen (ABT), een steeds groeiend samenwerkingsverband van biercafés. En steeds meer Belgische bieren waren ook elders in de horeca en in de supermarkt verkrijgbaar. Voor iedere 10 liter bier die naar het buitenland ging werd een liter bier geïmporteerd; meestal uit België, maar ook uit Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Deze trend bracht Nederlandse brouwers ertoe om de concurrentie met die buitenlandse bieren aan te gaan. In 1988 kwam Grolsch Amber op de markt als een alternatief voor de spéciales Belges van Palm en De Koninck. De Belgische witbieren uit Hoegaarden en Dentergem kregen in 1990 concurrentie van Wieckse Witte van De Ridder en Valkenburgs Wit van De Leeuw.
...en nieuwe bieren
De Verenigde Bierbrouwerijen Breda Rotterdam volgden een andere marktstrategie. In 1991 namen zij een meerderheidsbelang in de, in 1984 opgerichte, brouwerij Raaf uit Heumen en voegden zo het witbier Witte Raaf aan hun assortiment toe. Dat werd nog verder uitgebreid toen zij in het jaar erop ook de Arcense Bierbrouwerij inlijfden – die in 1981 nota bene door een aantal werknemers was ‘losgeweekt’ uit hetzelfde concern. Onder het merk Koningshoeven betrokken ze dubbel en tripel van De Schaapskooi, die zelf in 1991 een wereldprimeur onder de trappistenbieren had met de introductie van haar quadrupel.
Ook nieuw opgerichte brouwerijen vergrootten de diversiteit met eigen creaties. Jopen uit Haarlem kwam vanaf 1994 met een eigen interpretatie van het middeleeuwse Hoppenbier en met het gruitbier Koyt. Op Texel verscheen een donker tarwebier onder de naam Skuumkoppe.
Daarnaast kregen de vanouds bekende (herfst)bockbieren er met de lente- en meibocken een zusje bij. Bavaria had veel succes met haar alcoholvrij bier Malt. Kleinere brouwerijen vergrootten hun zichtbaarheid en omzet ook door evenementen en bedrijven de mogelijkheid te bieden bier van een gepersonaliseerd etiket te voorzien.
Craftbier
In de loop van het nieuwe millennium nam het aantal brouwerijen spectaculair toe, van 135 in 2010 naar bijna 900 in 2020. Ongeveer de helft daarvan was brouwerijhuurder. De groei zette daarna verder door.
Dat is vermoedelijk mede te danken aan het gemak waarmee een nieuwe brouwerij kan worden gestart. Een ondernemende amateurbrouwer hoeft niet heel veel meer te doen dan zich digitaal te melden bij de Kamer van Koophandel en een vergunning accijnsgoederenplaats (AGP) aan te vragen bij de douane. Voor een brouwerijhuurder is een AGP niet eens nodig.
Volgens onderzoek van Nederlandse Brouwers werd in 2019 12 miljoen hectoliter bier verkocht waarvan 80 procent pils. Dit toonde aan dat pils nog steeds met afstand het meest gedronken bier was en dat de nieuwe brouwerijen, die nagenoeg geen pils brouwden, ongeacht hun aantal slechts een beperkt deel van de biermarkt bedienden. Desalniettemin hebben jonge bierbrouwers, velen getooid met baarden en houthakkershirts, en steeds vaker ook bierbrouwsters een stevige invloed op de Nederlandse biercultuur gekregen.
Waar de nieuwe brouwers in de jaren tachtig en negentig vooral Belgische biertypen gingen brouwen, lieten de brouwers van het nieuwe millennium zich meer inspireren door Amerikaanse craft brewers met hun IPA's en RIS’sen (India pale ale en Russian imperial stout). Deze nieuwe bieren vormden echter pas de opstap naar een heel nieuw palet van smaken. Oude recepten werden afgestoft en opnieuw gebrouwen, maar er werd ook geëxperimenteerd met spontane vergisting, vatrijping en ingrediënten. Internationale bierstijlen als gose en grape ale kregen een Nederlandse invulling. Nieuwe alcoholvrije bieren werden ontwikkeld, maar ook zogenaamde ‘blubberdikke jetsers’ van meer dan 10 procent alcohol. Er was zelfs ruimte voor gekkigheid als pizza Hawaï-bier en bier met gummibeertjes.
Een cultuur van, met en rond bier
Niemand kijkt er meer raar van op als in het café naar de bierkaart wordt gevraagd, maar de nieuwe biercultuur ging verder dan alleen meer, ander en nieuw bier. Brouwers en bierliefhebbers vormden een gemeenschap die samenkomt op festivals en in de Facebook-groep Beergeeks. In plaats van elkaar te beconcurreren werkten brouwers samen en brachten zogenaamde collabs (collaboration brews, ofwel gezamenlijke brouwsels) op de markt. Voor veel startende brouwers was commercieel brouwen een ‘uit de hand gelopen hobby’, die zij naast een betaalde baan uitoefenden. Andere brouwerijen investeerden flink in een eigen installatie, al dan niet gecombineerd met een proeflokaal. De toegenomen belangstelling voor bier uitte zich verder in de opening van nieuwe gespecialiseerde bierwinkels, de opleiding tot biersommelier van de Stichting Bieropleidingen Nederland (StiBON) en de eerste professionele bierwedstrijd in Nederland, de Dutch Beer Challenge.
Hier eindigt de geschiedschrijving van de Nederlandse biercultuur en begint haar toekomst. Het valt niet te voorspellen of het aantal brouwerijen zal doorgroeien, stagneren of dalen. Misschien leidt het fenomeen dat grote brouwerijen een belang nemen in kleine, zoals Heineken in Oedipus en de Texelse en de toetreding van ’t Uiltje en De Molen tot Royal Swinkels Family Brewers, tot een nieuwe marktconcentratie. En wat wordt het overheersende biertype in de toekomst? Het is niet eens te zeggen of de volgende generaties het bier wel net zo zullen omarmen als de huidige. We kunnen alleen gretig en geboeid naar alle ontwikkelingen uitkijken.


