In de middeleeuwen zijn op het grondgebied van het latere Nederland meer dan vijfhonderd kloosters opgericht waarin monniken of nonnen leefden. De oudste werden rond 700 gesticht in Maastricht, Susteren en Utrecht. Vanaf de negende eeuw werd de leefregel van Benedictus van Nursia door de Karolingische vorsten verplicht gesteld voor de dagelijkse drinkgewoonte van kloosterlingen. Volgens deze Italiaanse leefregel mochten zij een halve pint wijn per dag nuttigen. In de noordelijke helft van Europa was bier echter de volksdrank. Op de kerkelijke synode van Aken in 816 werd daarom besloten dat kloosterlingen in plaats van een halve pint wijn een hele pint bier per dag mochten verbruiken. In tegenstelling tot wijn kon bier in het klooster zelf worden gemaakt. De traditie van kloosterbier was hiermee ingezet.

Bier drinkende monnik, Li livres dou santé (13e eeuw), British Library.
Bronnen over het bierbrouwen in Nederlandse kloosters hebben we over die vroegste periode niet en zijn zelfs uit de late middeleeuwen (veertiende tot zestiende eeuw) slechts mondjesmaat bewaard gebleven. De gegevens die we vinden sluiten goed aan bij wat bekend is uit kloosters in omliggende landen. In grote en rijke abdijen – een abdij is een klooster dat onder leiding staat van een abt – werden twee kwaliteiten bier gemaakt. Het gewone ‘conventsbier’ was voor de monniken en nonnen en het dunbier gaven de abdijen aan personeel, reizigers en arme mensen uit de omgeving. Voor voorname gasten of voor feestdagen werd zwaarder bier gebrouwen of werden importbieren uit de Duitse Hanzesteden ingekocht. Op het kloosterterrein stond een gecombineerd bak- en brouwhuis waar personeel uit de omliggende dorpen het brood en bier maakten. Dat deden de kloosterlingen dus niet zelf. Van de vrouwenabdij in Rijnsburg is bekend dat daar hetzelfde bier werd gemaakt als dat van de brouwers in Leiden. Abdijbier was dus niet van zwaardere kwaliteit en werd niet gebrouwen met beproefde recepten uit een eigen traditie – zoals de hedendaagse reclames ons doen geloven.
Groot voordeel voor kloosters was dat ze konden beschikken over een vaste aanvoer van brouwgraan, dat afkomstig was van boerderijen op hun uitgebreide grondbezit. Bij graanschaarste in het land konden de kloosterbrouwers de bierkwaliteit beter handhaven. Sommige kloosters beschikten bovendien over een eigen hoptuin, zoals de vrouwenabdij Leeuwenhorst in Noordwijkerhout. De norbertijner abdij Mariënweerd onder Culemborg had een uitgestrekt hopveld, dat in 1559 een recordoogst van 15 duizend pond hop opbracht.

De cisterciënzer nonnenabdij Leeuwenhorst in Noordwijkerhout had een eigen hoptuin, die links van de poort zichtbaar is (Museum Catharijneconvent).
In de late middeleeuwen zijn veel kloosters gesticht vanuit de beweging van de Moderne Devotie, die door Geert Grote uit Deventer werd geïnitieerd. Van het klooster Windesheim en vier andere kloosters uit deze beweging – twee in Zwolle en twee in Friesland – is bekend wat voor bieren ze rond 1450 maakten. De graanstorting bestond er voor minstens de helft uit haver en voor het andere deel uit iets meer gerst dan tarwe. Zodoende ging het zeer waarschijnlijk om kuitbier. Het alcoholgehalte kan hooguit de 4 procent hebben gehaald. Ook dit kloosterbier was dus geen zwaar bier. Dat zou ook niet bij de ascetische levensstijl van kloosterlingen hebben gepast.

De brouwerij van het klooster Windesheim bij Zwolle, die na de Reformatie als kerk werd ingericht.
De kloostertraditie werd tijdens de Nederlandse Opstand abrupt afgebroken toen in 1580 werd besloten dat de uitoefening van de katholieke godsdienst niet meer was toegestaan. Boven de rivieren werden vrijwel alle kloosters gesloten en de meeste werden gesloopt of kregen een andere bestemming. Alleen in Brabant en Limburg wisten enkele kloosters te overleven. Pas met de emancipatie van de katholieken in de tweede helft van de negentiende eeuw kwam het kloosterleven opnieuw tot leven. In die tijd werden de trappistenabdijen in Berkel-Enschot en Zundert opgericht waar tegenwoordig de moderne bieren van La Trappe en Zundert Trappist vandaan komen. Van een middeleeuwse traditie is hier dus geen sprake. Deze trappistenbrouwerijen hebben aansluiting gezocht en gevonden bij de smaak en bierbeleving van de huidige drinkers.