In de loop van de zevende en achtste eeuw veroverden de Franken vanuit het zuiden het hele gebied dat we tegenwoordig Nederland noemen. Ze onderwierpen de Friezen en Saksen die er woonden met geweld en bekeerden hen met de nodige moeite tot het christendom. Haar drankgewoonten hoefde de lokale bevolking echter niet aan te passen, want de Franken waren net als de Friezen en Saksen echte bierdrinkers. Dat bewijzen verordeningen uit de tijd van de Frankische vorst Karel de Grote, de beroemdste telg uit de koninklijke familie van de Karolingen.

Laatste bladzijden van het Capitulare de villis (ca. 795), Herzog August Bibliothek Wolfenbüttel
Nog voordat hij in 800 tot keizer zou worden gekroond, liet Karel de Grote een inventarisatie maken van alle kroondomeinen. Die bevonden zich vooral in Noord-Frankrijk, de Belgische Ardennen, langs de Moezel en rond Aken, maar ook in Nederland. In het Zuid-Limburgse Meerssen en in Nijmegen waren paltsen (residenties) gebouwd, waar de koning met zijn hof verbleef tijdens ambtelijke reizen door het rijk. Deze paltsen konden worden bevoorraad vanuit kroondomeinen die verspreid lagen langs de Maas en Roer in Limburg, in de Betuwe, langs de Utrechtse Rijn en Vecht, op Walcheren in Zeeland, in enkele streken van Holland, zoals het Gooi, in Deventer en Franeker en op Wieringen en Texel. Rond 795 liet Karel een reglement opstellen voor het beheer van deze kroondomeinen, dat het Capitulare de villis wordt genoemd.
Volgens dit reglement moesten in de dorpen van de kroondomeinen ambachtslieden aanwezig zijn die bier, appelcider, perencider en andere dranken konden maken. Ze moesten over bronzen en ijzeren ketels kunnen beschikken en in elk dorp moesten standaard graanmaten en tonmaten aanwezig zijn, zodat er niet met hoeveelheden werd gesjoemeld. De rentmeesters van de kroondomeinen moesten strikt toezien op de hygiëne als de dorpelingen mout, bier, mede, wijn of azijn maakten. Alles moest op een schone wijze worden geproduceerd. Wanneer het koninklijke hof in een palts verbleef, moest de rentmeester zorg dragen voor voldoende mout en diende hij meester-vaklieden te regelen die hiervan goed bier konden maken.

Maandkalender met bijpassende landbouwactiviteiten, Liber Calculationis, ca. 820.
In de tuinen en boomgaarden van de dorpen moesten enkele tientallen bij naam genoemde kruiden, vruchten en groenten worden geteeld voor een volwaardige en diverse voeding. De bierkruiden gagel en hop ontbreken in deze lijsten. Zij werden in het wild geplukt en hadden in de vroege middeleeuwen nog geen plaats in de tuinbouw.
Hoewel het beroep van bierbrouwer in het Capitulare de villis nog niet wordt genoemd, waren in de dorpen ambachtslieden aanwezig die de kennis en vaardigheid hadden om voor grote groepen bier te brouwen. Dit was toen dus bepaald niet voorbehouden aan brouwers in abdijen.