Eind jaren zeventig van de veertiende eeuw was Glorie een vooraanstaande bierbrouwster in Amersfoort. Wekelijks kwam er een wagen naar de stad om hoppenbier te kopen voor het bisschoppelijk paleis in Utrecht. Glorie was een van de hofleveranciers en had per bestelling zes vaten van ongeveer 110 liter bier klaarstaan. Ze was getrouwd met Mijs van Havik, een man van aanzien die actief was in de graanhandel en borg was voor de rentmeester van de bisschop. Hij bemoeide zich niet met de productie en verkoop van het bier, die liet hij aan zijn vrouw Glorie over. Mogelijk was de brouwerij haar eigendom, misschien als erfenis uit haar familie. Hoe dan ook, zij verkocht het bier op haar eigen naam. Vrouwen werden toen als handelingsonbekwaam beschouwd. Voor het kopen of verkopen van goederen was toestemming van de echtgenoot of van een mannelijk familielid nodig. Een uitzondering vormden ‘koopvrouwen’, die een eigen bedrijf hadden, zoals bierbrouwsters. Deze juridische ongelijkheid zou overigens nog tot in de twintigste eeuw blijven bestaan. De Wet handelingsonbekwaamheid werd op 14 juni 1956 afgeschaft.
In het stadsrecht van ’s-Hertogenbosch, dat dateert uit de twaalfde eeuw, is een wet opgenomen die de financiële aansprakelijkheid van de echtgenoot beperkte tot één brouwsel bier, indien zijn vrouw bierbrouwster was. De Hollandse steden Haarlem, Delft en Alkmaar namen in de dertiende eeuw het Bossche stadsrecht over en handhaafden de aansprakelijkheidsregel inzake brouwsters. Blijkbaar waren ook in die steden vrouwen actief in de bierproductie. Tot in de zestiende eeuw bevatten stadskeuren uit alle gewesten bepalingen voor de bierbrouwerij waarin naast mannelijke brouwers expliciet brouwsters worden genoemd.
Brouwster Glorie had veel collega’s. In Amersfoort was van eind veertiende tot eind zestiende eeuw één op de zes brouwerijen in handen van een zelfstandige brouwster. Eén op de vijf brouwerijen in Haarlem werd in de zestiende en zeventiende eeuw eveneens door een vrouw bestierd. In beide plaatsen ging het meestal om weduwen die na het overlijden van hun echtgenoot de brouwerij voortzetten. Ze namen dan ook de zetel in het gilde over. Brouwsters waren op alle fronten actief in hun bedrijven. Ze exporteerden bier naar andere gewesten, werden bekeurd wegens overproductie, sloten overeenkomsten voor de levering van grondstoffen en bedrijfsmiddelen, exploiteerden hoptuinen en legden op het stadhuis de eed af op het brouwreglement. Andere brouwerijen waren in eigendom van een echtpaar en ook daar waren de vrouwen actief in het bedrijf.

Portret van brouwster Cornelia Pietersdochter, Cornelis Engebrechtsz (1518), Museum De Lakenhal Leiden.
Het personeel van brouwerijen bestond steevast uit ‘knechten en maagden’. Werkneemsters hadden allerlei taken, van hoofd-brouwster en assistent-brouwster tot boekhoudster. In Engeland was bierbrouwen in de veertiende eeuw nog overwegend een vrouwenbusiness, maar tegen 1600 was de bedrijfstak zodanig gecommercialiseerd dat in brouwerijen voortaan hoofdzakelijk mannen werkzaam waren. In Nederland verliep dit proces geheel anders. Vrouwen bleven tot ver in de achttiende eeuw prominent in het brouwersvak aanwezig. Pas vanaf de industrialisatie van de bierbrouwerij in de negentiende eeuw zijn vrouwen van lieverlee uit de bedrijfstak verdwenen.

Twee medewerksters van een brouwerij in Leiden in de 18e eeuw, Hendrik Meijer (ca. 1772), Museum De Lakenhal Leiden
Ondanks de enorme hausse aan nieuwe brouwerijen is het aantal bedrijven dat tegenwoordig door vrouwen wordt gerund nog steeds minimaal. In dat opzicht is Gebrouwen door Vrouwen van de zusters Do en Tessel de Heij in Amsterdam bijzonder.
