Op 11 april 999 ondertekende keizer Otto III van het Duitse Rijk een giftbrief aan bisschop Ansfridus van Utrecht. Hierin verleende hij de bisschop voor het domein Bommel – het huidige Zaltbommel met zijn omgeving – het recht op de opbrengsten van de plaatselijke muntslag, de riviertol en de verkoop van biergist, die gruit werd genoemd. Deze brief wordt gezien als de oudste geschreven bron waaruit blijkt dat er in Nederland gruitbier werd gebrouwen. Van het originele document ontbreekt vooralsnog ieder spoor en misschien is het al lang geleden verloren gegaan, maar het afschrift van de brief is bewaard gebleven en bevindt zich in het Utrechts Archief.
Afschrift van de brief in het Liber donationum, gedateerd rond 1200. Collectie Het Utrechts Archief
Het recht op de inkomsten uit de verkoop van gruit – kortweg gruitrecht genoemd – behoorde samen met de muntslag en de tolheffing tot de regalia, oftewel de koninklijke rechten. Omdat de Lage Landen onder het Duitse Rijk vielen, waren die rechten in handen van de Duitse keizer. Graven, hertogen en bisschoppen hielpen het rijk te besturen en hij kon hun taakuitoefening ondersteunen door inkomstenbronnen te verschaffen die in hun territorium lagen. Bisschop Ansfridus ontving om die reden het gruitrecht in Zaltbommel.
In de latere middeleeuwen beschikte de bisschop van Utrecht over het gruitrecht in diverse andere plaatsen, zoals Utrecht, Amersfoort, Rhenen, Amerongen en Vreeswijk (nu Nieuwegein), waar ook de bisschoppelijke tol werd geheven. Tot zijn territorium behoorden bovendien Overijssel en Drenthe en ook daar liet hij in tal van steden en dorpen gruit verkopen. Op dezelfde wijze baatten de hertogen van Gelre en Brabant en de graaf van Holland het gruitrecht uit in plaatsen binnen hun territoria. Deze vorsten zaten constant verlegen om geld en gaven daarom regelmatig het gruitrecht in een bepaalde plaats in pacht aan een edelman, een klooster of een stadsbestuur. Aanvankelijk was dat slechts voor een beperkte periode, maar vaak mondde dit uit in een permanente toestand, waarin de pachter jaarlijks een vaste som betaalde. In de loop van de veertiende en vijftiende eeuw hebben veel steden en sommige adellijke families op deze manier het gruitrecht in handen gekregen.
De verkoop van gruit vormde een belangrijke inkomstenbron. In de jaren twintig van de veertiende eeuw bedroeg het ontvangen gruitgeld uit het gebied dat nu ongeveer de provincie Utrecht is, 8,5 procent van de totale inkomsten van de bisschop. Rond 1340 bedroegen de ontvangsten uit het gruithuis 45 procent van het totaal aan stedelijke inkomsten in Deventer. Commerciële brouwers waren verplicht de gruit in het dichtstbijzijnde gruithuis te kopen. Zij mochten de gruit niet zelf maken of uit andere plaatsen betrekken. Het gruitgeld dat ze betaalden, is de oudste vorm van belasting op bier.
De originele tekst van de giftbrief van keizer Otto luidt:
In nomine sancte et individue Trinitatis. Otto superna favente clementia Romanorum imperator augustus. Si locis, divino cultui mancipatis, alicujus honoris seu proprietatis supplementum prebere studuerimus, in nostre anime et carnis felicitate nobis divinitus remunerari procul dubio credimus. Quapropter optamus, ut omnibus nostris fidelibus, presentibus atque futuris, notum sit, qualiter nos, ob remedium anime nostre parentumque nostrorum, necnon interventu et supplici rogatu Ansfridi, sancte Traiectensis ecclesie venerabilis episcopi, et Franconis, reverendi presulis nostri, predicte sedi Traiectensis ecclesie, in honore sancti Martini confessoris construct, dedimus, largiti sumus et omnino concessimus omnem districtum super villam Bomele et super cuncta, que ad eandem villam pertinent, videlicet public e rei subjecta, theloneum vero, monetam et negocium generale fermentate cervisie, quod vulgo grut nuncupatur, immo quicquid in jamdicta villa ad publicum bannum sive districtum pertinere visum est, in comitatu Hunrogi comitis, in pago Testerbantia dicto situm; atque eundem districtum cum moneta, banno et theloneo et totius public e rei functione, prelibato cenobio sancti Martini confessoris penitus in proprium tradidimus. Insuper sibi donavimus quicquid Poppo, filius Wedigeri, habuit in ministerium in eodem comitatu et in villa Arclo, proprietario jure habendum, tali ordine ut prefatus Ansfridus, venerabilis presul, suique successores easdem res, per nostram confirmationem traditas, teneat, disponat, ordinet et perfruatur, nostra omniumque nostrorum perpetualiter remota contradictione. Et ut hec nostre auctoritatis pagina firma permaneat, hanc manu propria corroboravimus et sigillari precepimus. Signum domni Ottonis cesaris invicti. Heribertus cancellarius vice Willegisi archiepiscopi recognovi. Data III Idus Aprilis, anno dominice incarnationis DCCCCXCVIIII, indictione XII, anno III Ottonis regnantis XVI, imperantis III. Actum in Romano palatio filici manu.
Aan het eind van de achttiende eeuw werd de brief vertaald door Pieter Bondam c.s. als:
Keyzer Otto de derdde hefft om zalicheit syns ende syner Older zielen, ende durch oetmoedige bede des Eerweedigen Heren Ansfridi, Byschops der heyliger Kercken t Utrecht &c. gegeven, ende ten ewigen daghen vor hem ende synen nakomelingen sonder wederseggen toegestaen derselver Kerken die gatse gehele rechticheid ende jurisdictie, hoerende totten Dorpe van Bommel, als tolle, munte, of gruyte, ende myt al tgheene ende ge.....nr, behorende tottet Graefffschap van Testerbant; Ende wes Poppo, Wedegerus soen, in dienste gehadt hefft in den Dorpe van Ercklo, gelegen in denselven Graeffschap van Testerbant; eigentlick alsoe, dat die vorsz. Ansfridus Bescop, ende syne naekomelingen, die vorsz. dynghen, rechticheyden, eyendom, guederen, ende ghyfften, in cracht van desen Brieve overgelevert, sal holden, ende die moeghen disponeren, ordineren, ende ten ewigen dagen gebruken sonder wederseggen van yemant &c. Datum to Rome int Pallais. AnnoDni. IXe. XCVIIII. onder syne Mat. hant ende seghel. &c.