Op 11 september 1822 verscheen in de Nederlandsche Staatscourant een uitbreiding van het belastingstelsel met een herziening van de accijns op de ‘Binnenlandsche Bieren en Azijnen’. Een nieuwe wet bepaalde dat brouwers voortaan 70 cent accijns per vat moesten betalen voor het aantal vaten dat hun roerkuip groot was. Ze dienden die elke keer als ze brouwden te betalen.
Om fraude te voorkomen bevatte de wet verschillende artikelen omtrent het verplicht aan- en afmelden van brouwlocaties, het ijken van de roerkuipen en de aangifte van elk nieuw brouwsel bij de bevoegd ambtenaar. Niet alleen moest de brouwer melden wanneer hij waar ging brouwen, maar ook in welke kuip, wanneer hij het vuur onder de ketel aanstak, welke soort ‘meel’ (mout) hij gebruikte, welke biersoort hij ging maken en wanneer het afvullen op vaten zou eindigen. Dit alles op straffe van 400 gulden boete bij overtreding.
Overigens beschreef de wet opmerkelijk gedetailleerd voor hoe een brouwerij aan de buitenkant moest zijn te herkennen:
Zij die het bierbrouwers-bedrijf uitoefenen, zullen verpligt wezen, ter hoogte van drie tot vijf ellen boven aan den voornaamsten ingang der fabrijk, indien de gelegenheid van het gebouw zulks toelaat, en anders drie tot vijf ellen boven den grond, doch altijd boven aan den voornaamsten ingang, een bord te stellen, waarop met olieverw geschreven staat: Bierbrouwerij. Zij zullen daarenboven iederen ingang hunner fabrijken kenbaar maken, door er in maniere als boven, voor te doen stellen, het woord Bierbrouwerij.

Bijlage bij de wet met kooktijden voor bruin, geel en wit bier naar omvang van de kuip.
De geschatte opbrengst van deze bieraccijns voor het toen nog jonge Koninkrijk was niet mis: 3,3 miljoen gulden. Ter vergelijking: de opbrengst van accijns op wijn werd geschat op 2,1 miljoen gulden en die van gedistilleerd op 4,2 miljoen. De bier-werkelijkheid bleek echter veel weerbarstiger. Naast deze accijns van rijkswege hadden de brouwers ook te maken met lokale heffingen. Zo werden in 1829 door de stad Brussel 84 opcenten op het bier geheven, door Maastricht 70, Arnhem 75, Nijmegen 75, Luik 170, Gent 120 en Antwerpen 129 opcenten. Deze bedragen duiden al aan dat bier in de zuidelijke Nederlanden toen een belangrijker product was dan in het noorden.
Dat bleek ook uit de uiteindelijke accijnsopbrengsten in 1840, toen België van Nederland was afgescheiden. Bieren en azijnen waren in Nederland slechts goed voor ƒ 319.390,65. Dat was dus tien keer minder dan in 1822 was begroot. De wijnaccijns bracht de helft minder op, ruim 1 miljoen gulden. Het gedistilleerd bleek met 3,8 miljoen aan opbrengsten de drank van het noorden te zijn geworden.
De relatief lage opbrengsten van de accijnzen op bier en azijn waren voor velen de reden om te pleiten voor afschaffing van de wet. Bovendien zou de wet brouwers vooral stimuleren om zo veel mogelijk bier uit één brouwsel te halen. Wie één enkel, kwalitatief zeer goed bier met een bepaalde hoeveelheid mout brouwde zou onevenredig belast worden vergeleken met een collega die uit dezelfde hoeveelheid meerdere brouwsels haalde. De wijze van heffing hield daarmee de praktijk van kleine brouwerijen in het zuiden in stand, die bestonden van grote hoeveelheden bier van ‘mindere hoedanigheid’. Later die eeuw klaagden betrokkenen met moderne opvattingen dat de wet nieuwe brouwtechnieken en dus nieuwe bieren in de weg stond. Dat gold vooral voor de zogenoemde decoctiemethode, waarbij na het maken van het bierslag de mout herhaaldelijk werd gekookt en deze kooksels met het beslag werden samengevoegd. Door het meervoudig gebruik van de roerkuip was de accijnswet hier bijzonder ongunstig voor.
Anderen klaagden dat de fiscus een te gedetailleerd beeld kreeg van de gebruikte ingrediënten, die ze liever voor hun concurrenten verborgen hielden. Ondanks alle kritiek hielden de opeenvolgende regeringen aan de wet vast.
Pas in 1867 zou een nieuwe wet worden ingevoerd die brouwers de keus liet om de accijns voortaan naar inhoud van de kuip te betalen of naar gewicht van het gebruikte graan. De wetgever erkende in de memorie van toelichting dat de werkwijze in grootschalige, moderne brouwerijen ‘in meer dan één opzigt niet overeentebrengen [was] met de wettelijke bepalingen omtrent den bieraccijns’ uit de voorgaande wet. Onder de nieuwe accijnswetgeving ontstonden al snel nieuwe brouwerijen die de Nederlandse biercultuur in de volgende eeuw zouden domineren.
Voor de volledige wettekst zie de Nederlandsche Staatscourant