De Republiek der Verenigde Nederlanden werd in de zeventiende eeuw een wereldmacht, inclusief haar koloniën. Nederlands-Indië, West-Indië (Suriname en de Antillen), de Kaapkolonie en -kortstondig- Nieuw Amsterdam en Nieuw Holland (new York en Nederlands Brazilië).
De Nederlanders die daar gingen verblijven wilden ook bier hebben. Omdat het vooral in de tropische gebieden zo goed als onmogelijk was te brouwen, zat er niets anders op dan het erheen te brengen. Dat bier moest een maandenlange overtocht per schip kunnen overleven. Nederlandse brouwers wisten aanvankelijk niet of nauwelijks hoe dat te maken. Daarom werd er buitenlands bier verscheept: mom, een bijzonder sterke soort uit Brunswijk, en Luiks, waarvan een ‘durabele’ versie bestond. Al in de jaren dertig kwam er ook concurrentie van Engelse brouwers die deze kunde beheersten. Hun handelaren roken kansen en het Engelse bier viel inderdaad bijzonder in de smaak bij de Nederlandse expats.
Pas vanaf de jaren zeventig arriveerde er Nederlands bier. De brouwers van Rotterdammer, Zeeuws, Naarder, Delfts en Enkhuizer bier begonnen langzaam wijzer te worden. Ook zat er al een echt merk tussen: ‘haentjes’, van brouwerij De Witte Haan in Amsterdam. Er kwam daarna steeds meer. De sterke Duitse bieren handhaafden zich, maar de Engelse brouwers moesten fors terrein prijsgeven. Aan het begin van de achttiende eeuw werden er in Indië en de Kaap zelfs grote winsten gemaakt op bieren van De Witte Haan, Het Truweel met de Croon (Delft), De Ster (een Zeeuwse brouwerij) en De Drie Roskammen (Amsterdam). steeds meer bier werd toen bekend onder de merknaam van het desbetreffende brouwersbedrijf. Dat gold alleen niet voor een bier dat vanaf de jaren veertig een opmars begon: princessebier.

Brouwerij De Witte Haan in 1848
Princessebier
Princesse was geen merk, maar een soort: het kwam van diverse Amsterdamse brouwerijen. In 1748 belandde het ‘Princesse Roijal’ van De Hooiberg in een ‘bierpakket’ van de VOC. En in 1749 presenteerde De Gekroonde Valk zich in een advertentie met ‘het brouwen van Princessen-Bier, voor Oost-Indiën en andere gewesten’. Dit was het eerste, speciaal voor de koloniale export gebrouwen bier en het verwierf een langdurige reputatie. Volgens de Brugse brouwer Antonius Parmentier in 1788 kon het ‘gerustelyk zonder de minste veranderinge ter Zee worden getransporteert nae de Fransche Eylanden en nae de Oost- en West-Indiën’.
Princesse – hoppig, fris, helder en schuimend – is zo goed als zeker naar een echte prinses vernoemd: Anna van Hannover, de dochter van de latere Engelse koning George II, die in 1734 in Londen trouwde met ‘onze’ prins Willem IV. Blijkbaar was het bier ontstaan ter ere van haar of geïnspireerd door hun huwelijk. Een verhaal uit het tijdschrift De Nederlandse spectator in 1786 wijst op deze vernoeming.
De export van princesse spekte de kas van de brouwerijen in een zeer moeilijke tijd: in Nederland waren de kosten fors gestegen en de bierverkoop afgenomen. Ook troefden ze er wederom de opdringerige Engelse concurrenten mee af. Voor één keer zijn ze hen ook voor geweest met een belangrijke innovatie. De Engelsen hadden die eeuw bijvoorbeeld het grootschalig gebrouwen porter ontwikkeld, maar een bier voor de koloniale export hebben ze nooit bedacht. De befaamde India pale ale was een geëxporteerd bier waarvan later die eeuw door toeval bijzondere eigenschappen kwamen bovendrijven. Pas in de negentiende eeuw is het als ‘IPA’ ontwikkeld en verfijnd.
Oost-Indisch
De Nederlandse brouwers hadden toen zelfs een tweede koloniaal exportbier gecreëerd. In een akte rond de brouwerij De Hooiberg uit 1754 is voor het eerst sprake van dit 'Oost-Indisch bier' dat werd verzonden in 'pijpen', langwerpige vaten voor het transport van vloeistoffen. Ook in Delft bestonden in 1765 ‘zwaare bieren, op zijn Oostindisch en anders gebrouwen’ en bewaard in pijpen. Zwaar was dit lichtgekleurde ‘Oost-Indisch’ zeker. Volgens latere recepten en brouwersgegevens werd het wort ervoor twee uur gekookt zonder hop, en in een schone ketel nog eens drie à vier uur met (veel) hop. Bijzonder was dat het op een lagere temperatuur dan gewoonlijk moest gisten tot het een hoge vergistingsgraad had bereikt. Dat gebeurde bovendien in tonnen die 24 uur gevuld waren geweest met water en gestampte jeneverbessen. Na de vergisting rijpte het bier in gelijkaardige maar grotere vaten en ging er een kan ‘goeden Barcelona-brandewijn’ bij – infused bier avant la lettre. De gesloten vaten rustten vervolgens acht tot twaalf maanden in een koele kelder.

Advertenties voor Oost-Indisch bier uit Batavia (1819) en Suriname (1831)
Haantjes- en Valkerbier
Opmerkelijk genoeg lijken deze twee succesvolle bieren in de negentiende eeuw weer van de exportmarkt te zijn verdwenen. De grote Amsterdamse brouwerijen begonnen toen andere bieren naar Oost- en West-Indië te exporteren, om niet geheel duidelijke redenen. In de Oost hadden ze opnieuw ‘last’ van de Engelse concurrentie. Misschien hebben ze toen geoordeeld dat ze daar een ander middel tegen moesten inzetten. Dat werden bieren onder eigen merknamen: achtereenvolgens Hooiberger bier, Valker- of Valkenbier en Haantjesbier. Het is niet onmogelijk dat dit nog gewoon princessebier of Oost-Indisch is geweest, maar onder die andere namen. Valkerbier bevatte 5,1 procent alcohol, ongeveer hetzelfde als princesse. En Haantjesbier was ‘schuimend en kristal-helder’ en licht – eigenschappen die ook bekend zijn van princesse.
Hoe dan ook werd dit wederom een succes. Tussen 1845 en 1860 steeg de omzet van deze brouwerijen met 40 procent, vooral door hun export. Met name De Gekroonde Valk en De Haan en Sleutels (zoals De Witte Haan inmiddels heette) hadden te maken met grote vraag naar hun bieren.
Zoals veel bovengistende ‘Hollandse’ bieren gingen ook deze na 1870 hard en snel onderuit door de opkomst van het ondergistende ‘Beiers’ en later het pilsener. De Haan en Sleutels werd in 1888 gesloten, waarna een groep ondernemers weliswaar een nieuwe start maakte met het materieel onder de naam 't Haantje, maar het merk Haantjesbier werd overgenomen door De Gekroonde Valk. Dat bedrijf behield een sterke marktpositie door het succesvolle Van Vollenhoven’s Stout. Ook onder die vlag echter kwijnde Haantjesbier net als Valkerbier weg.
Haantjesbier werd in de twintigste eeuw uiteindelijk een zombie: nog tot ver in de jaren veertig was het in de koloniën een pilsener- en bockbiermerk.
