• 1660

Bierbrouwers zijn concurrenten van elkaar, maar ook collega’s. Het vak verbindt hen en ze hebben gezamenlijke belangen. Door de eeuwen heen hebben brouwers zich dan ook verenigd. In de middeleeuwen vormden ze gilden, die vooral product- en procesafspraken maakten. De gilden werkten ook nauw samen met de stadsbesturen. Dat brouwers de dagelijkse voedselvoorziening dienden was daarbij vaak in hun voordeel, want ze praatten mee over regelgeving.
In de Republiek der Verenigde Nederlanden besloten de stadsbesturen veel onafhankelijker. De nijverheid moest via accijns en imposten vooral de inkomsten van hun stad dienen. Daarnaast kregen stedelijke bierbrouwers te maken met landelijke en provinciale belastingen. In 1621 al kwamen velen gezamenlijk in het geweer tegen herinvoering van de zogenoemde gijlimpost, een algemene belasting op elke ton bier, ongeacht soort en brouwwijze. En er doemden steeds meer van dat soort maatregelen op. De Hollandse brouwers klaagden daarnaast dat naburige provincies hun bieren zwaarder belastten dan de aldaar gebrouwen bieren.
Rond 1660 (het precieze jaartal is niet bekend) besloten de belangrijkste Hollandse brouwers hun gezamenlijke onvrede en bezwaren te formaliseren. Ze vormden een organisatie die we nu een belangenvereniging zouden noemen, de Generale Brouwers van Holland. Het was, zoals de naam al aangeeft, een regionaal bepaalde club. Brouwers uit grote en kleinere Hollandse steden werden lid.

Republiek der Verenigde Nederlanden
Republiek der Verenigde Nederlanden door Nicolaes Visscher, Rijksmuseum

Binnen de organisatie vergeleken zij hun bedrijfstak eens met ‘een zieke oude man die ziek zou blijven zolang de oorzaken van zijn ziekte bleven bestaan: zware belastingen, hoge lonen en dure grondstoffen’. Daar speelde de tegenstelling met de provincies ook bij mee. De zware lasten waren oneerlijk verdeeld, omdat buiten Holland de ingrediënten veel goedkoper en de belastingen lager waren. Zodoende was zelfs zwaarder (en vaak smakelijker) bier dat uit het buitenland werd geïmporteerd niet duurder dan het Hollandse bier. Deze 'buitenbieren' werden daarom een serieuze concurrent.
Ook probeerden de gezamenlijke Hollandse brouwers de heffingen in de andere provincies ongedaan te maken, te ontduiken of te ontlopen. Ze beschuldigden provincies als Overijssel ervan afspraken hierover niet na te komen. Dit liep op niets uit en dus poogden ze om de buitenbieren op zijn minst zwaarder te laten belasten in Holland. Alleen hadden ze daar niets meer over te zeggen.
De Hollandse brouwers hadden er een handje van te overdrijven en deze zaken dramatischer voor te stellen dan ze werkelijk waren. Die gewraakte belastingen werden soms bijvoorbeeld deels verlaagd. Ongunstig was vooral de veelheid aan accijns en imposten, ook lokale en provinciale, op allerlei producten, grondstoffen en diensten. Ondertussen was de bierindustrie in de achttiende eeuw in een steeds dieper wordende malaise verzeild doordat de afzet sterk terugliep. Meer en meer drinkers kozen voor koffie, thee of chocolade. De brouwers droegen zelf ook bij aan de crisis door te sjoemelen met de kwaliteit van bier en hop of door vervuilde gist te leveren.

Order op de buitennering
Order op de Buitennering

De Generale Brouwers deden uiteindelijk een vergeefse poging de imposten op bier te laten afschaffen. Ze kregen in 1751 wel een verlaging gedaan, maar die werd drie jaar later alweer van tafel geveegd door de overheid.
Het leidde binnen de organisatie tot toenemende onenigheid. Een andere splijtzwam was de kwestie van de dorpsbrouwerijen. Hoewel brouwen officieel was voorbehouden aan steden, werd het daarbuiten oogluikend toegestaan. Toezicht en controle vergden te veel tijd en moeite van de overheid. Ook verzoeken tot ontmanteling van dorpsbrouwerijen werden niet gerealiseerd. In ’s-Gravenhage werd in 1686 zelfs een derde brouwerij opgericht. Formeel gold voor dit dorp een uitzonderingsclausule, maar de naburige bierstad Delft tekende daar steeds bezwaar tegen aan. Dordrecht en Rotterdam steunden Delft. Binnen de Generale Brouwers kreeg het onderwerp echter maar weinig aandacht. De samenhang kwam nog verder onder druk te staan toen nota bene een brouwer uit Haarlem ook in het dorp Hazerswoude wilde beginnen.
In 1748 werd het privilege van de stedelijke brouwers formeel alsnog hersteld, maar in 1798 schafte het door Frankrijk ingestelde landsbestuur alle oude octrooien en privilegiën definitief af. In een ‘verlicht gouvernement’ hoorde zoiets niet thuis, luidde het verdict na een laatste pleidooi van de brouwers in 1806.
Het luidde het einde in van de Generale Brouwers. Geheel in lijn met het toen fors afgetakelde brouwwezen is de organisatie daarna langzaam weggekwijnd.

Een minder bekende, maar enigszins gelijkaardige opvolger was de in 1853 opgerichte Vereeniging of Confrerie van Hollandsche Brouwers, later Vereeniging van Hollandsche en Utrechtsche Bierbrouwers geheten. In 1897 ontstond de Nederlandsche Brouwersbond (NBB), met veel Brabantse en Limburgse leden. De grote brouwerijen die in de 20e eeuw ‘heersten’, verenigden zich in de Bond van Nederlandsche Brouwerijen (BNB). In 1922 scheidde de Eindhovensche Brouwersbond zich daarvan af. De NBB en BNB fuseerden in 1939 tot Centraal Brouwerijkantoor.
Ook tegenwoordig heeft Nederland weer twee brouwersorganisaties. Nederlandse Brouwers, voortgekomen uit het CBK, vertegenwoordigt alle grote en middelgrote en enkele kleinere brouwerijen. CRAFT verenigt middelgrote, kleinere en kleine brouwerijen. Enkele zijn lid van beide organisaties. En ja: zij worstelen nog altijd met accijnskwesties.

Podcasts

Blogs

Adverteerders

×