Op 27 augustus 1968 maakten de bestuurders van de Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij en van de Amstel Brouwerij het voornemen bekend om voortaan samen te gaan als één bedrijf. Deze fusie was in feite een overname waarbij Heineken de aandelen van Amstel kocht. Daarmee verstevigde Heineken zijn positie als grootste brouwconcern van Nederland. Met een jaarproductie van 3,8 miljoen hectoliter kreeg het bijna 60 procent van de Nederlandse biermarkt in handen.
Het aantal zelfstandige Nederlandse brouwerijen is in de loop van de twintigste eeuw steeds verder afgenomen. Hiervoor zijn veel verklaringen te geven. Bij sommige brouwerijen was er geen opvolging of ontbrak de financiële ruimte voor investeringen. De wetgever stelde strengere eisen aan de bierproductie, de bierconsumptie nam af als reactie op het slappe oorlogsbier dat tijdens de Eerste Wereldoorlog werd gebrouwen en ook de inspanningen van organisaties voor geheelonthouding en tegen drankmisbruik zullen van invloed zijn geweest. De belangrijkste reden was evenwel de toenemende concurrentie tussen de brouwerijen.
Bijna alle grote brouwerijen waren op zoek naar nieuwe afzetgebieden om hun omzet te vergroten. Daartoe werden kleine brouwerijen overgenomen. Meestal hield dat in dat de productie van zo’n brouwerij werd afgebouwd en dat de klanten voortaan werden voorzien van het bier van de overnemende partij. Zo zijn veel kleinere brouwerijen veranderd in agentschappen of verkoopkantoren. Ondertussen werden de grote brouwerijen steeds groter.
Het kwam ook voor dat grotere brouwerijen werden overgenomen door een consortium van verschillende andere brouwerijen. De Twentsche Stoom-Beijersch-Bierbrouwerij uit Almelo werd in 1934 overgenomen door Heineken, de Hengelosche Bierbrouwerij en De Klok uit Enschede. Van Vollenhoven's Bierbrouwerij had zelf al diverse brouwerijen ingelijfd voordat ze in 1941 werd verdeeld tussen Heineken en Amstel.
Brouwerij d'Oranjeboom uit Rotterdam was in 1934 een samenwerking aangegaan met de Wertha brouwerij uit Weert. In de jaren zestig sloten De Phoenix uit Amersfoort, de ZHB uit Den Haag en Keizer Barbarossa uit Groningen, zelf een fusiebrouwerij, zich daarbij aan en ontstonden de Verenigde Nederlandse Brouwerijen d'Oranjeboom (VNBO). In 1967 werd de VNBO overgenomen door het Britse concern Allied Breweries, dat een jaar later ook De Drie Hoefijzers uit Breda kocht. Het conglomeraat heette voortaan Verenigde Bierbrouwerijen Breda-Rotterdam (VBBR).
Allied Breweries was niet het enige buitenlandse concern dat een positie in de Nederlandse bierindustrie veroverde. In 1968, het jaar van Amstel/Heineken en van Allied/VBBR, nam het Belgische Artois de Dommelsche Bierbrouwerij over. Artois verwierf daarna ook een (tijdelijk) belang in de trappistenbrouwerij De Schaapskooi (1969-1979) en werd in 1974 eigenaar van de de Hengelosche Bierbrouwerij. Uiteindelijk bestonden er begin 1980 nog slechts dertien zelfstandige Nederlandse brouwerijen(concerns).
Sindsdien zijn Artois Nederland en de VBBR opgegaan in AB InBev en kreeg Grolsch een Japanse en De Leeuw (Valkenburg) een Belgische eigenaar. Bavaria nam ook enkele kleinere brouwerijen over, evenals Heineken Nederland (o.a. Brand en De Ridder). En na een periode waarin er veel nieuwe brouwerijen werden opgericht zijn enkele daarvan eveneens onderdeel geworden van Swinkels Family Brewers, v/h Bavaria, of van Heineken Nederland. Zo blijft de strijd om het marktaandeel zich voortzetten.