Nederlandse brouwers lieten de distributie van bier voor thuisgebruik traditioneel over aan hun netwerk van agenten en bierbottelaars. Phoenix uit Amersfoort was de eerste en lange tijd enige brouwerij die zelf op regelmatige basis gebotteld flessenbier ging leveren aan winkels. Maar na de Eerste Wereldoorlog begon het winkellandschap in Nederland te veranderen. De kleine kruidenierswinkel zou uitgroeien tot een zelfbedieningswinkel en tot de grote supermarkt zoals we die tegenwoordig kennen. Deze ontwikkeling had ook consequenties voor de biermarkt.
Individuele winkels veranderden in winkelketens door steeds nieuwe vestigingen te openen, zoals bijvoorbeeld Albert Heijn dat deed. Andere, zoals de EDAH van de heren Ebben, Dames, Aukes en Hettema, groeiden door overname van bestaande winkels. Ook werden coöperatieve organisaties als de ETOS, Eendracht, Toewijding, Overleg en Samenwerking, opgericht (in 1931) en ontstonden rond 1930 inkooporganisaties die grootschalig, en dus goedkoper, goederen inkochten voor alle aangesloten winkels. Voorbeelden hiervan waren de Enkabé, Nederlandse Kruideniersbond, DE SPAR, Door Eendrachtig Samenwerken Profiteren Allen Regelmatig, en Végé, Verkoop Gemeenschap.
De goedkoop ingekochte goederen werden vervolgens onder eigen merk verkocht. Daarin zag de Bond van Nederlandse Brouwerijen (BNB) een gevaar. De bond, waarvan bijna alle grote brouwerijen lid waren maar die gedomineerd werd door de ‘driehoek’ Heineken, Amstel en d’Oranjeboom, functioneerde feitelijk als een kartel waarbinnen onderling prijsafspraken werden gemaakt. De BNB wilde niet dat bier onder huismerk goedkoper zou worden verkocht dan de afgesproken minimumprijs. Daarom werd het de leden verboden om zelf gebotteld bier te verkopen anders dan onder eigen etiket.
Dit verbod gold niet voor brouwerij Bavaria. Die was namelijk geen lid van de bond. In 1934 leverde Bavaria bier aan de EDAH dat onder het huismerk Kasteel werd verkocht. Het eerste supermarktbier was geboren. Ook de Dommelsche Bierbrouwerij, wel bondslid, onttrok zich aan het verbod en ging vanaf 1938 bier leveren aan De Gruyter. De Phoenix-brouwerij leverde aanvankelijk bier onder haar eigen merk aan de grossiers, maar introduceerde later het goedkopere b-merk Klaver.
Na de Tweede Wereldoorlog groeide het thuisgebruik. De vraag van supermarktketens naar goedkoop bier onder eigen merk, voornamelijk pils, steeg mee. Voor de brouwers was dit een kans om in een tijd waarin de markt nog lastig was meer omzet te draaien, ondanks een kleinere winstmarge. Uiteindelijk besloten ook de grote brouwerijen zich op die markt te gaan richten. Heineken en Amstel bleven bier onder eigen merk verkopen. Samen hadden zij echter de zeggenschap over Van Vollenhoven's brouwerij en via dat bedrijf werden verschillende inkooporganisaties alsnog bediend van hun ‘eigen bier’, zoals DE SPAR, Enkabé, Sperwer en Albino. Hier kwam een einde aan toen Van Vollenhoven's in 1949 werd gesloten.
Anderzijds bleef de vraag naar bier in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog achter bij de brouwcapaciteit van de brouwerijen. Dit leidde tot een grote marktconcentratie, met steeds minder brouwerijen die door overnames en fusies steeds groter werden. Ze waren in felle concurrentiestrijd met elkaar.
De Dommelsche Bierbrouwerij werd samen met de Hengelosche Bierbrouwerij en De Schaapskooi onderdeel van het Belgische brouwconcern Artois. Zij bleven het huisbier van De Gruyter brouwen, en brouwden voor hen Bier van Pieters, ‘koop het met liters!’. Daarnaast verkocht De Gruyter het Gildebier van brouwerij De Schaapskooi. Het huismerk AVEHA van de André van Hilst-supermarkten werd in de jaren 1970 overgenomen van De Drie Hoefijzers. Voor ALDI werd Brouwmeester pils geproduceerd.
De Drie Hoefijzers vormde samen met d’Oranjeboom, ZHB, Wertha, Keizer Barbarossa en Phoenix het concern Verenigde Bierbrouwerijen Breda Rotterdam (VBBR). Dat had contracten met onder andere Albert Heijn (Brouwers Bier, Hobbs), VIVO (Posthoorn) en Co-op (York). De Vriendenkring uit Arcen, een dochter van De Drie Hoefijzers, brouwde ook Jaeger bier voor Schuitema.
Bavaria bleef als zelfstandige brouwerij bier produceren voor EDAH en later ook voor andere supermarkten en inkooporganisaties zoals Jac. Hermans, Sperwer en VéGé. In de jaren negentig kwam er Brouwmeester voor de Aldi vandaan en Best Bier voor Dirk van den Broek.
De overcapaciteit bij de Nederlandse brouwerijen gaf de supermarkten de macht om de brouwerijen tegen elkaar uit te spelen en scherpe voorwaarden te stellen. Soms werden zij gedwongen om bier tegen kostprijs te verkopen of zelfs daaronder. Brouwerijen zoals Phoenix en de Hengelosche, die vrijwel volledig van de productie van supermarktbieren afhankelijk waren, redden het niet. Zij waren niet de enige. Toen het contract van brouwerij De Leeuw uit Valkenburg met Aldi voor de levering van Karlsquell-bier werd opgezegd, daalde de omzet zo hard dat het aanleiding was voor een fusie met de Belgische brouwerij Haacht en later sluiting van de brouwerij.
Na 2010 was het aantal supermarktketens in Nederland door aanhoudende overnames aanzienlijk gekrompen. Van die weinige grote ketens waren Albert Heijn en Jumbo de grootste. Onderstaande tabel schetst een beeld van de prijs van hun huismerken en enkele A-merken.