Bierbrouwerij De Zwarte Ruiter in Maastricht waagde in 1871 de sprong naar het brouwen van ondergistend 'Beijersch' bier. Toen dit succesvol bleek en een nieuwe grote brouwerij werd betrokken, trachtte zij haar omzet te vergroten door de nationale biermarkt te betreden. Een reeds beproefde methode was om in heel Nederland (en zelfs in België) eigen proeflokalen in te richten. De Zwarte Ruiter opende overal in Nederland 'Maastrichtse Bierhuizen'. Uiteraard was daar ook het Maastrichts 'aajt' te krijgen, een andere specialiteit van de brouwerij.
De brouwerij
Brouwerij De Zwarte Ruiter kwam uit de schoot van de familie Rutten, een bekende Maastrichtse brouwersdynastie die al sinds de achttiende eeuw verschillende brouwerijen bestierde. Anno nu leeft hij voort in de persoon van Jan-Paul Rutten, de huidige directeur van de Gulpener Bierbrouwerij. Een van diens voorvaderen kocht in 1817 een brouwerij in de Maastrichtse Gubbelstraat, vlak achter de Markt, waar J. H. Rutten en zonen in 1871 Beijers bier gingen produceren onder de naam Stoombierbrouwerij De Zwarte Ruiter.
Ze waren niet de eersten in Maastricht die ondergistend brouwden; N.A. Bosch in de Keizerstraat deed het - vermoedelijk zelfs als eerste in heel Nederland - al in 1843, maar was er na enige tijd weer mee gestopt. Net als Bosch lagerde Rutten zijn bier aanvankelijk in de grotten van de Sint Pietersberg, de Limburgse versie van de Beierse ‘felsenkeller’.
Tot er een nieuwe uitvinding beschikbaar kwam: de koel- of ijsmachine. Deze maakte het mogelijk het bier gecontroleerd te laten rijpen in de brouwerij. Hiervoor waren grote lagerkelders nodig. In 1883 openden de vier zonen van de firma J.H. Rutten een nieuwe, moderne brouwerij met directeurswoning aan de Brusselseweg, de huidige St. Annalaan, vlak buiten de Brusselse Poort.
De firma produceerde naast Beijerse bieren ook het vermaarde Maastrichts oud (‘aajt’), een donker, licht rinzig, versneden bier van gemengde gisting. Dit werd onder meer geëxporteerd naar Nederlands-Indië, waar de voornaamste afnemers militaire kantines waren. De export was mogelijk dankzij de goede houdbaarheid van het Maastrichts oud. De biersoort raakte in de twintigste eeuw uit de mode, maar wordt sinds enige tijd weer gebrouwen door de Gulpener.
Schaalvergroting
In 1893 werd de firma Rutten omgezet in een naamloze vennootschap: ‘N.V. Rutten’s bierbrouwerij de Zwarte Ruiter’. Dat gebeurde met het oog op grote plannen: de verovering van een landelijke afzetmarkt.
Medevennoot werd de Rotterdamse likeurstoker Henri van der Wolk, tevens eigenaar van 27 koffiehuizen. Het idee was om de afzet van het Zwarte Ruiterbier - in navolging van de grote brouwerijen in het westen - verder te vergroten door het opzetten van depots en eigen koffie- en bierhuizen in het hele land. Bij de oprichting bezat de NV al veertig eigen panden. Dat aantal zou in korte tijd uitgroeien tot zeventig ‘Maastrichtse koffie- c.q. bierhuizen’. Met name in de grote steden - Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Haarlem, Leeuwarden, Eindhoven, Leiden, Tilburg, Arnhem, Nijmegen, etc. - was de brouwerij goed vertegenwoordigd met vaak meerdere vestigingen. Maar ook in kleinere steden als Middelburg, Vlissingen, Turnhout en Tiel was zij gezien.
Het bierhuis van De Zwarte Ruiter in Maastricht was tevens ‘Bestelkantoor der Rutten’s bierbrouwerij De Zwarte Ruiter’. Dit opschrift is ook te lezen boven de nog bestaande Zwarte Ruiter aan de Grote Markt in Den Haag. Het herinnert eraan dat deze vestigingen behalve proeflokaal ook agentschap waren en verkooppunt voor de groothandel.
Onder de Zwarte Ruitercafés die rond 1900 werden geopend waren schitterend verbouwde panden met sierlijke jugendstilgevels, grote raampartijen en een chique uitstraling. Op de gevel prijkte vaak ook een tegeltableau of gevelsteen van De Zwarte Ruiter. Het was noodzakelijk om op te vallen tussen de grote brouwers uit het westen.

Het bierhuis in Den Bosch (Vughterstraat 119)
Einde
De Zwarte Ruiter was kortstondig een belangrijke speler in de woelige Nederlandse bierwereld, waar de concurrentie moordend was. Ze moest haar expansiedrift echter al vrij snel bekopen. Een zware schuldenlast en de moeilijke economische omstandigheden tijdens en na de Eerste Wereldoorlog brachten haar in de problemen. Zo werd zij een aantrekkelijke prooi voor partijen die op overnames uit waren, vooral wegens de vele afzetpunten in het land. In 1920 verkocht de NV haar brouwerij in Maastricht aan Heineken, die deze omdoopte tot Sint Servatiusbrouwerij. De aandeelhouders zouden zich voortaan richten op de exploitatie van de koffiehuizen in het land. Het hoofdkantoor verhuisde naar Rotterdam. In 1923 kwam een samenwerking met de firma Heck tot stand en werden onder de naam Heck’s en later Ruteck’s overal moderne lunchrooms en cafetaria’s geopend.
De Zwarte Ruitercafés zijn in de loop der tijd verkocht of overgenomen, onder andere door Heineken, maar er zijn enkele overgebleven onder de oorspronkelijke naam, zoals in Den Haag en Middelburg. Andere bestaan voort als café met een andere naam, maar nog herkenbaar aan de jugendstilgevel en de gevelsteen met de zwarte ruiter op het witte paard, zoals in Utrecht, Leiden en Vlissingen. Sommige cafés veranderden hun naam in Het Witte Paard of The White Horse. Veel Zwarte Ruiterpanden hebben inmiddels een andere functie, zijn verbouwd of gesloopt.
De Sint Servatius Brouwerij werd begin jaren vijftig door Heineken gesloten. Van de brouwerij bestaat nog de directeurswoning, delen van de lagerkelders en een gevelpartij.

In de jugendstilgevel van voormalig café De Zwarte Ruiter aan de Lijnmarkt 12 in Utrecht zijn tegeltableaus te zien van zowel De Zwarte Ruiter als OLV Sterre der Zee, de beschermengel van Maastricht, verlicht door twee bolle lampen.

