Aan de Amsterdamse Nieuwezijds Voorburgwal stond anno 1784 op de plaats van het huidige restaurant Die Port van Cleve de grootste bierbrouwerij van Nederland: De Hooiberg (of ‘Hooyberch’). Ook dat bedrijf ontkwam echter niet aan de crisis waardoor het afgetakelde en impopulaire bierwezen toen werd getroffen. Halverwege de negentiende eeuw was Amsterdam niet langer de belangrijkste bierstad van Nederland (ten faveure van Maastricht). Er resteerden nog slechts drie brouwerijen en De Hooiberg was daar de kleinste van geworden.
Het was dus opmerkelijk dat een jonge inwoner die een onderneming ter overname zocht zijn oog juist op dit bedrijf liet vallen. Toch was dat in 1863 het geval: de nog maar 21-jarige Gerard Heineken overlegde er in juni over met de commissarissen. Heineken had een jaar eerder een substantieel geldbedrag van zijn vader geërfd waarmee hij in zaken wilde. Ze kwamen inderdaad overeen dat hij de brouwerij overnam. Dat gebeurde per 15 februari 1864, maar met terugwerkende kracht vanaf 1863. In de tussentijd was Heineken voortvarend te werk gegaan. Hij had dagelijks op het bedrijf rondgelopen. Omdat hij niets van bierbrouwen wist had hij zich in alles laten inwijden. En uiteindelijk had hij de dagelijkse leiding overgenomen.
Zijn streven was niets minder dan de ‘beste kwaliteit van bier’. Zo maakte hij reclame voor zijn ‘uitmuntend Novemberbier’. Het was een van de vele soorten die de brouwerij voortbracht, zoals ‘versch’, hooibouwbier, ale, porter, faro en oud bruin. Gerard Heineken liet die eerste winter ook op proef ‘Beijersch’ brouwen, oftewel ondergistend bier. Hij was geïnteresseerd in die noviteit: later dat jaar nam hij aandelen in de naamloze vennootschap van de Nederlandsche Beijersch-Bierbrouwerij, de eerste grote Nederlandse ‘brouwfabriek’ die aan de Weesperzijde zou verrijzen. Zelf ging hij er echter niet mee door. Het Nederlandse klimaat bood geen constante koude en die was in een tijd waarin er nog geen koelmachines waren vereist voor de vergisting en lagering van ‘Beierse’ bieren. Het al 270 jaar oude Hooiberg-complex bood ook geen mogelijkheden voor de benodigde grote kelders. Ondertussen had Gerard het moeilijk met de kwaliteit van zijn ouderwetse bovengistende bieren, waarover soms klachten binnenkwamen. Die kwamen er ook van omwonenden, over een te veel aan stank en vervuiling van het grachtenwater. Gerard Heineken besloot al snel zijn bedrijf te verhuizen en kocht in 1865 een stuk land aan de zuidrand van de stad, aan de huidige Stadhouderskade. Daar liet hij een nieuwe, modernere brouwerij optrekken die in januari 1868 werd geopend.
Toen was de Nederlandsche Beijersch-Bierbrouwerij al bijna een jaar actief, met uitstekend bier en dito resultaten – zodanig zelfs dat het bedrijf het predicaat ‘Koninklijke’ had gekregen. De nieuwe Hooiberg, nu als ‘Heineken & Co.’ aangeduid, bleef echter bovengistend brouwen. Gerard Heineken schreef de Kamer van Koophandel nog niet te bespeuren ‘dat het Nederlansche Beyersche bier de consumptie der oude Hollandsche soorten doet verminderen’. Hij deed daarom voort op de oude wijze. Heineken richtte zich bovendien vooral op het ‘werkvolk’, dat bij depots overal in de stad goedkoop Hooiberg-bier kon drinken. ‘Beijersch’ was veel duurder en paste niet in deze aanpak.
Die zekerheden werden echter steeds wankeler door de tendens in de bierconsumptie. Gerard Heineken hield de vinger toch maar aan de pols. Hij bezocht in 1869 brouwerij Bergzigt in Heumen met haar grote complex ijskelders. Later dat jaar gaf de internationale nijverheidstentoonstelling in het Paleis voor Volksvlijt hem nog een zetje. Heineken stelde daar vast dat het Weense lagerbier veel meer aftrek vond dan de ouderwetse ‘Hollandse’ bieren.
Het roer ging uiteindelijk toch om. Gerard Heineken liet zijn nieuwe brouwerij duchtig verbouwen en aanpassen. Op 21 februari 1870 kondigde hij aan per 1 maart ‘Beiersch bier’ te gaan leveren.
Gerard Heineken is dus bepaald geen trendsetter geweest. En als trendvolger was hij traag. ‘Niet dan na lang aarzelen besluit de heer Heineken de tot dusver gevolgde traditionele produktie van bovengistend bier te verlaten en de Beierse ondergistingsmethode toe te passen,’ aldus een notitie in het archief van Heineken N.V.
Maar voor hetzelfde geld is hij te bestempelen als iemand die uiteindelijk zonder scrupules, twijfels of remmingen te werk ging. Toen de productie twee keer zo groot als verwacht uitpakte, richtte hij zich voortaan volledig op het Beierse ‘heerenbier’ en niet meer op goedkoop bier voor het werkvolk. In 1873 stopte hij volledig met bovengistend bier – én opende hij een tweede vestiging in Rotterdam. Daar en in Amsterdam liet hij ijsmachines installeren, in 1880 gevolgd door een voor zijn tijd hypermodern koelsysteem van Von Linde. Om de vaart erin te houden kwam hij met goedkopere en lichtere lagerbieren, die het werkvolk alsnog verleidden. Een ware revolutie in de bierconsumptie en –verkoop was het gevolg. En in 1886 al beschikte Heineken over een reincultuur, de A-gist, in het eigen laboratorium geïsoleerd door een leerling van Pasteur. Met die wapens in handen begon Heineken het lichtgekleurde pilsener bier te brouwen.
And the rest is history.