De naam Heineken is wereldberoemd. Maar het heeft weinig gescheeld of de eerste Nederlandse grootbrouwerij had heel anders geheten. Dat verhaal markeert ook als geen ander de tekortkomingen én de mogelijkheden van de bierbrouwerij in de 19e eeuw.
Bernard Perk (1819-1871) was de zoon van een moderne graanhandelaar uit een stad met bierhistorie: Delft. Zijn halfzus Betsy werd een gereputeerd schrijfster en voorvrouw van de emancipatiebeweging. Bernard was ook wegbereider, maar veel minder bekend. Opgeleid in de zaak van zijn vader werd hij al jong zelf ondernemer. In 1842 nam Bernard een van de drie bierbrouwerijen in buurstad Den Haag over, De Drie Kruisen aan de Prinsegracht. Het was een flink bedrijf, eigenlijk bestaand uit twee brouwinstallaties.
1842 is een cruciaal jaar in de biergeschiedenis. Toen werd in het Boheemse Plzeň het eerste pilsener gebrouwen. Het was een nieuw, zeer licht gekleurd product van de ondergisting: vergisting bij zeer lage temperatuur, waarna de gist naar de bodem zakt en langdurige lagering een strak, helder en stabiel bier oplevert. Deze van oorsprong Beierse techniek begon de (bier)wereld te veroveren. Sinds 1835 was er ook in Nederland bruin ‘Beijersch bier’ verkrijgbaar.
Bernard Perk was hiervan uitstekend op de hoogte, en wilde dit zelf in De Drie Kruisen ook maken, naast traditionele bovengistende bieren. ‘Beijersch’ vereiste alleen constante lage temperaturen, tijdens de vergisting en de lagering. Toen de winter van 1843-’44 een ‘daartoe dienstige’ was, wisten Perk en zijn kompaan Allot prompt ‘het zoo algemeen gezochte Beijersche bier’ te brouwen. Perk werd de Nederlandse pionier van de ondergisting. Zijn Maastrichtse collega N.A. Bosch was in 1843 nog eerder geweest, maar ging er niet mee door. De Drie Kruisen bleef wel Beijersch bier brouwen, dat ook werd geapprecieerd. Een dagbladjournalist vond in 1859 zelfs dat het ‘wezenlijk smaakte, alsof het uit eene brouwerij te Kissingen [Kitzingen] kwam’.

Dagblad van 's-Gravenhage 22 april 1844
Beijersch bier bleef echter seizoensgebonden. Als de voorraad op was, kon er niet zomaar worden bijgebrouwen. Met een scheef oog keek Perk naar Beieren, waar brouwers dubbelwandige gistkelders hadden, gevuld met ijs dat via tochtstroken de benodigde koude verspreidde, of voorzien van erboven gelegen ijshopen, alsmede ondergrondse lagerkelders. Perk wilde dat ook. Beijersch zou ‘goed bier voor weinig geld’ zijn, winstgevend door groter verbruik. Bier kon weer ‘volksdrank’ worden, en hij zou ermee beginnen.
Zo’n uitbreiding was aan de Prinsegracht niet mogelijk. Daarom ontwikkelde Perk een bouwplan voor ‘eener groote Beijersche Stoombierbrouwerij’ in de duinen bij het Schevenings Kanaal. Daar waren ruimte, transportmogelijkheden en duinwater voorhanden. Het ontwerp van het complex, ca. 60 bij 54 meter groot, was in september 1856 gereed. Om dit enorme project te financieren kwam Perk opnieuw met een novum: de naamloze vennootschap. Daar was er in de brouwwereld nog maar één van, in Leiden. Brouwerijen waren doorgaans familie-eigendom. Perk verzamelde vooraanstaande zakenlieden en politici als Gevers Deynoot en Vaillant om zich heen als commissarissen. Dankzij hun namen hoopte hij in 1858 de benodigde financiers te hebben verworven.
Perk had ook de gemeente Den Haag en de pers op zijn hand. In 1855 was hij door het liberale dagblad De Grondwet geprezen ‘als industrieel en als handelaar’, om zijn kennis van zaken en activiteiten. Hij was betrokken bij de Vereeniging of Confrerie van Hollandsche Brouwers, de Kamer van Koophandel en de lokale politiek. Daarnaast trok Perk schrijvend ten strijde tegen de omstreden Accijnswet uit 1822. Sinds die belastingherziening werd accijns geheven op de inhoud van de brouwkuipen, niet op grondstoffen of producten. Het leidde tot strenge regulering van de brouwpraktijk en de helft hogere accijnzen. In oktober 1856 wees Perk de Tweede Kamer per brief op deze ‘verkeerde heffing’. De wet maakte het onmogelijk te werken zoals in het buitenland (waarmee hij doelde op ondergistingstechnieken) en dus daarmee te concurreren. Door de werkwijze van de Nederlandse brouwers bleef de kwaliteit van het bier achter. Perk schreef hierover in het voorname tijdschrift De Gids en publiceerde zelfs een ‘proeve’ van een alternatieve wet. Hij bepleitte belasting van de gebruikte mout of accijns op het eindproduct, zoals in Engeland of Beieren. Perk wilde het Nederlandse brouwwezen ‘uit zijnen kwijnenden staat’ verlossen.
Zo verwierf hij respect onder bierbrouwers, ondernemers en in Haagse kringen. Toch leek Perk voor zijn nieuwe brouwerij onvoldoende financiers te vinden. Begin 1859 had hij De Drie Kruisen gemoderniseerd en van grotere ketels voorzien. Maar in november meldde hij in de Brouwers-Confrerie dat hij alsnog ‘een genoegzaam kapitaal’ had bijeengegaard. Hun volgende jaarvergadering zou in zijn Beijersche brouwerij plaatsvinden!
Toen, op 11 maart 1860, stond De Drie Kruisen plotseling te koop. Lans en Zoon uit Haarlem nam de brouwerij kort daarna over. Perk trok zich in 1861 geheel terug uit de bierwereld. Het is niet bekend hoe het tussen november 1859 en maart 1860 is misgegaan. Perks initiatief lijkt nog op het verkeerde moment en op de verkeerde plaats te zijn gekomen. Brouwerijen zoals door hem gedacht ontstonden iets later, en in Amsterdam. De 110 bij 18 meter grote Nederlandsche Beijersch-Bierbrouwerij (NBB) werd in 1864 opgericht en begon in 1867 te produceren. Mogelijk heeft de door Perk bekritiseerde ongunstige accijnswetgeving investeerders toch afgeschrikt. Eveneens in 1867 werd een nieuwe accijnswet van kracht. Nadat de initiatiefnemers van de NBB daarom hadden verzocht, was de regering ineens bereid gebleken ‘de nijverheid [...] te hulp te komen’. Toen Perk vier jaar later overleed draaiden er al drie van zulke brouwbedrijven in Amsterdam en één in Arnhem.
Nederland had bijna massaal ‘prachtig parelend Perk’ gedronken. Maar zoals meer visionaire, ambitieuze duizendpoten is Bernard Perk zijn tijd te ver vooruit geweest.

